Al zou Hij mij doden, zou ik niet hopen?

Profeten hadden geen makkelijk leven. Hun boodschap botste tegen de muur van onwil bij de mensen die het niet wilden horen. Een enkeling kwam tot bekering, maar de meeste maakten het de profeten juist verschrikkelijk moeilijk. Profeten spraken in de Naam van de Heer. Wie God verwierp, verwierp ook hen. Zij waren, net als wij, vreemdelingen en bijwoners in deze wereld (Efeze 2:19). Ze werden afgewezen en vermoord (Mattheüs 23:31). Mozes, David, Elia, Jeremia, Ezechiël, Daniël, Johannes de Doper en vele anderen ondergingen het lot van verwerping en misbruik. Veel geloofshelden kregen spot en zweepslagen te verduren, zijn gevangen genomen, gestenigd, zwaar op de proef gesteld, doormidden gezaagd, vermoord, hebben rondgezworven onder ontbering, verdrukking en mishandeling (Hebreeën 11:36-37). Hun geduld is een bemoediging voor ons om, net als zij, de wedloop met volharding te lopen (Hebreeën 12:1).

Volharding brengt zegen. Iedereen die de Bijbel leest kan zien dat God volharding aanmoedigt en prijst. Volharding moet volledig doorwerken (Jakobus 1:4), pas dan krijgen wij wat God ons heeft beloofd. De grootste zegen in het eeuwig leven wordt niet beloofd aan degenen die spectaculaire wonderen hebben gedaan of die een bewonderenswaardige zichtbare bediening hebben gehad. De hoop van de zegen is voor degenen die volharden.

Job verloor op één dag alles wat hij bezat. Al zijn kinderen kwamen om. Alles was hij kwijt, inclusief zijn gezondheid en zijn reputatie. Het ergste van alles was dat hij Gods aanwezigheid niet meer voelde. Zijn vrienden waren slechte raadgevers en zijn vrouw verklaarde hem voor gek, omdat hij toch op God bleef vertrouwen. De woorden: “al zou Hij mij doden, zou ik niet hopen?” (Job 13:15, HSV) zijn een fantastische geloofsverklaring waar ook wij aan vast mogen houden.