De jaargetijden van geloof

De dingen die gezien worden zijn een beeld van de dingen die niet gezien worden. De werken van de schepping zijn voor de kinderen van God afbeeldingen van de geheimen van genade. Gods waarheden zijn de gouden appels en wat wij zien zijn de zilveren schalen. Zelfs de jaargetijden zijn een tegenhanger van wat zich in de kleine wereld van het hart van ons mensen afspeelt:

Wij hebben ook onze winter – onze dorre, stormachtige winter – wanneer de noordenwind de wet tegen ons opsteekt, wanneer iedere hoop is verwoest, iedere zaak van blijdschap ligt begraven onder de donkere aarde van de wanhoop. Wanneer onze ziel gebonden is als een rivier, door het ijs verstijfd zonder vrolijke golfslag of dankbaar gekabbel.

Maar God zij dank, kennen wij ook tijden waarin de zachte zuidenwind in onze ziel waait, waarin in één klap de wateren van het verlangen vrij zijn van banden. Wanneer de lente van de liefde komt, de bloemen van de hoop in ons hart opbloeien en de boom van het geloof nieuwe loten laat ontspruiten; waarin het gezang van de vogels gehoord wordt en wij vreugde en vrede hebben door het geloof in de Heere Jezus Christus.

Deze gelukkige lente tijd wordt in de gelovige gevolgd door een rijke zomer waarin alle bloemen in bloei staan en de lucht vervullen met geuren waarin de vruchten van de Geest als citroenen en granaatappels tot volle bloei komen door de koesterende warmte van de “Zon van gerechtigheid” (Maleachi 3:20). Daarna volgt voor de gelovige de herfst, dan worden zijn vruchten rijp en zijn velden klaar om te oogsten. Dan komt de dag waarop de Heere Zijn vruchten zal verzamelen en ze in de hemel brengt. Het feest van de oogst is dichtbij; de tijd waarop een nieuw jaar zal beginnen, een onveranderlijk jaar als de jaren van de Allerhoogste.

Bovenstaande tekst is aangepast naar hedendaags Nederlands en geciteerd uit het boekje ‘Korenaren 
tussen de schoven opgelezen’ van C.H. Spurgeon, Uitgeverij “De Banier”, Utrecht 1988.