God had de wereld lief, wij de duisternis

Het is waarschijnlijk het meest bekende vers uit de hele Bijbel: Johannes 3:16. Het is een prachtig vers dat spreekt van Gods geweldige liefde en het bevat de kern van het Evangelie van Jezus Christus. Maar zoals dat met veel bekende en vaak gehoorde zaken is, ligt het gevaar op de loer dat we het normaal gaan vinden en vergeten stil te staan bij de inhoud.

“Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.” (Joh 3:16, HSV)

De schaduwkant van Johannes 3:16
Als we, als christenen, nadenken over dit vers, focussen we ons vaak op Gods liefde en op het feit dat we eeuwig leven kunnen ontvangen. Het is een geweldig vers dat ons verteld dat God ons is komen redden! Toch zijn we vaak geneigd de terechte vervolgvraag te negeren, namelijk: gered waarvan? Johannes 3:16 is alleen goed nieuws als we eerst het slechte nieuws begrijpen. De vooronderstelling van Johannes 3:16 is namelijk dat de natuurlijke staat van een mens een ‘verloren’ staat is. Wij als mensen zijn verloren in onze zonden; of anders en confronterender gezegd: doordat wij ons hebben afgekeerd van God in zonde, verdienen wij de rechtvaardige straf van de eeuwige hel. Wij, van nature slaven van de zonde en ten diepste volgelingen van Satan, wij verdienen straf, toorn, verlorenheid; voor eeuwig.

Daarnaast moeten we beseffen dat Gods reddingsplan niet alleen was om ons vrij te maken van de overheersing van Satan en onze gebondenheid aan de zonde. Het klopt: wij waren volgelingen van Satan en wandelden als slaven van de zonde. Daarvan heeft God ons door Jezus Christus gered. Maar het gaat nog veel dieper dan dat. We moeten beseffen dat God ons gered heeft van Zichzelf. Jezus Christus droeg de toorn van God aan het kruis. God, in Zijn liefde, is gestorven aan het kruis om ervoor te zorgen dat Hij ons niet naar de hel hoeft te sturen. Sta daar eens bij stil. God, in Zijn rechtvaardigheid, zou Degene zijn die jou naar de hel zou sturen; niet de satan. Het probleem van de mens is uiteindelijk niet met Satan, maar met God: “Wees niet bevreesd voor hen die het lichaam doden en de ziel niet kunnen doden, maar wees veeleer bevreesd voor Hem Die zowel ziel als lichaam te gronde kan richten in de hel.” (Matt 10:28, HSV) Prijs God dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft!

Wat Jezus van ons vraagt is dat wij zeggen: ik ben hopeloos, hulpeloos en verloren, ik verdien de eeuwige dood en er is niets wat ik eraan kan doen. De enige hoop die ik heb is om mij te wenden tot Jezus.

De pijnlijke opdracht van Johannes 3:16
Hoe kunnen wij dat eeuwige leven dan ontvangen? Johannes 3:16 antwoordt: geloof! Want ieder die in Hem gelooft zal eeuwig leven ontvangen. Op het eerste gezicht klinkt dit heel simpel en misschien zelfs een beetje te gemakkelijk. ‘Is dat alles? Waar zijn de kleine lettertjes? Wat moet ik doen?’. Maar dit is juist wat het voor ons mensen zo moeilijk maakt. Wat Jezus hier van ons vraagt is dat wij zeggen: ik ben hopeloos, hulpeloos en verloren, ik verdien de eeuwige dood en er is niets wat ik eraan kan doen. De enige hoop die ik heb is om mij te wenden tot Jezus. Inderdaad, de Bijbel schildert geloof niet voor als een intellectueel gebeuren: “De feiten zijn overduidelijk dat Jezus 2000 jaar geleden onder de Romeinen is gekruisigd en dat Hij is opgestaan. Ja, dat geloof ik wel.” Nee, geloven dat het in theorie klopt is niet het geloven waar Jezus op doelt. In 3:36 zien we dat Jezus lijkt te zeggen dat niet theoretisch ongeloof, maar geestelijke ongehoorzaamheid het tegenovergestelde is van geloven: “Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven, maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op Hem.” (Joh 3:36, HSV). Hoe zit dit?

Het antwoord, zoals wel vaker, vinden we in de context. Als je verder leest in Johannes 3 kom je dit vers tegen:
“Wie in Hem gelooft wordt niet veroordeeld, maar wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet geloofd heeft in de Naam van de eniggeboren Zoon van God. En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liefgehad, meer dan het licht, want hun werken waren slecht. Want ieder die kwaad doet komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet ontmaskerd worden.” (Joh 3:18-20)

Het klinkt misschien ingewikkeld, maar wat Jezus hier zegt is heel belangrijk voor ons, als we willen begrijpen waarom Jezus ongehoorzaamheid als het tegenovergestelde van geloof neerzet. Er staat hier dat wie niet gelooft, al veroordeeld is. En waarom ben je dan veroordeeld? Omdat je theoretisch niet gelooft? Nee, zegt Jezus, je bent al veroordeeld omdat je de duisternis meer lief hebt dan het licht. Het is niet intellectueel falen, maar geestelijk falen, dat ons de veroordeling oplevert. De reden dat mensen niet geloven is omdat zij de duisternis, de zonde, liefhebben. De reden dat mensen na het horen van het Evangelie Jezus alsnog verwerpen, is ten diepste niet omdat zij het theoretisch te moeilijk vinden om te geloven, maar omdat zij niet willen komen tot het licht. Vanuit onszelf willen wij niet toegeven dat we smerige, hulpeloze en hopeloze zondaren zijn. Bovendien genieten we van nature ook veel te veel van de zonde! Ja, er is niets wat we liever willen dan zondigen! Paulus omschrijft het als volgt: “Want de toorn van God wordt geopenbaard vanuit de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen, die de waarheid in ongerechtigheid onderdrukken” (Rom 1:18, HSV). Wij mensen onderdrukken van nature de waarheid! Simpelweg omdat we het niet willen. En daarom is de Bijbelse oproep: bekeer je en geloof het Evangelie!

Het is niet intellectueel falen, maar geestelijk falen, dat ons de veroordeling oplevert. De reden dat mensen niet geloven is omdat zij de duisternis, de zonde, liefhebben.

Als ik hier bij stil sta wordt mijn verbazing over Johannes 3:16 alleen maar groter. God heeft mij, door het sterven en opstaan van Jezus Christus, gered van (1) mijn zonde, (2) mijn liefde voor die zonde, een liefde die ik van nature helemaal niet kwijt wilde, (3) Zijn Eigen rechtvaardige toorn, die mij rechtvaardig de hel zou opleveren en (4) de slavernij aan de zonde, waardoor ik nu door Zijn Geest vrij mag zijn om Hem te gehoorzamen. En waarom? Omdat God mij liefhad. Waarom had hij mij lief? Niet omdat ik ook maar iets liefdevols bij mij draag, maar omdat Hij liefde is.

“Want zo lief had God de wereld, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.”