Heb de zondaar lief door zijn zonde te haten

Als je als Duitse soldaat die dag het strand van Normandië overzag, had je een paar keer met je ogen moeten knipperen. Te midden van de bloedigste invasie ooit, waar zoveel kogels rondvlogen dat er winden werden gecreëerd, liep een zwaargebouwde man heen en weer over het strand. Hij porde zijn mede-soldaten stevig met zijn stok. Hij sloeg de mannen herhaaldelijk, schreeuwde heftig en wees verhit. Waar was hij nou mee bezig?

Hun levens redden.

Na zijn enkel ontwricht te hebben bij aankomst, hobbelde de zelfbenoemde ‘uit vorm zijnde’ kapitein Finke richting het land, om zijn soldaten te vinden die dekking zochten in een dodelijke val. In shock zochten zij dekking achter alles wat ze maar vinden konden. In dit geval waren dat lange planken ter hoogte van een telefoonmast met explosieven aan de bovenkant. Terwijl mannen naast hem neervielen en anderen voor hem uit kropen, stond hij op en sloeg zijn mannen, één voor één, terwijl hij hen de opdracht gaf door te stoten naar een helling enkele honderden meters verderop.

Maar waarom sloeg hij hen? Als hij schreeuwde zonder de stok zou ‘elke man kunnen denken dat hij het tegen iemand anders had. Maar als hij iemand persoonlijk raakte met zijn stok zou er geen vertwijfeling zijn: Nu gaan, want anders…’ (The Dead and Those About to Die, p83). Daarom sloeg hij hen – pats, pats, pats – en schreeuwde “Kom op! Opstaan! Ga door!” Sommigen bewogen niet, zij waren al dood. Maar de levenden, geroepen in het algemeen en persoonlijk aangespoord, vertrokken richting een betere dekking. Finkes waakzaamheid heeft heel veel mensen gered die dag.

Veilige ruimtes voor zonde
Als kapitein Finke nodig was in Normandië, hoeveel temeer hebben wij dan zo’n type nodig op onze preekstoel, in onze kerkbank en accountability groepen? Wij hebben meer mannen en vrouwen nodig die niet bang zijn om het anderen oncomfortabel te maken zodat hun ziel beschermd wordt.

Dit rechtvaardigt natuurlijk niet om brutaal, genadeloos en hard te worden. Maar we willen ook niet dat er veilige ruimtes voor zonde ontstaan in onze gemeenschap, waar de stok van specifiek-zijn niet meer mag, zelfs niet als het gebruikt wordt om iemand in veiligheid te brengen. God, behoed ons voor het maken van plekken waar we nooit individuen aanspreken, alle normen wettisch noemen, stiekem onze eigen zonden koesteren en verkeerd denken over nederigheid. Overdenk deze vier gevaren eens.

1. Spreek nooit iemand publiekelijk aan
Uit eigen ervaring weet ik – door het uit te leven, te ontvangen en het te doen – dat we onze correctie lichter kunnen maken, door die persoon te laten weten dat wij allemaal zondaren zijn. Ons taalgebruik tijdens moeilijke situaties laat de enkelvoudsvorm varen, we kiezen liever voor meervoud. We moeten stoppen met het toegeven aan pornografie. We moeten meer Bijbellezen. We moeten niet zo ongenadig zijn richting onze vrouwen. En daarom moeten wij, net als de soldaten van Finke, betere dekking zoeken.

Op het eerste gezicht kan het liefdevol lijken om in groepstermen over zonde te praten, omdat dat soms ook gewoon zo is. De context is cruciaal. Het is zelden gepast om publiekelijk een broeder met naam en toenaam aan te spreken in een groep (Galaten 2:11-13). Het punt is niet dat we onze overijverige broeders toestemming geven om hun broeder roekeloos aan te pakken, maar om te schuren aan onze Christelijke kringen waar scherpe middelen nooit zijn toegestaan, zelfs niet voor precisiewerk. Soms laat liefde zichzelf simpel, hard en direct zien: “Jij bent die man!” (2 Samuel 12:5-7).  “Kom op! Opstaan! Ga door!”

Ik kan me nog de schrik herinneren toen een broeder, die mij apart had genomen, mij in de ogen keek en zei: “Broeder, jouw lauwheid voor Gods Woord is niet goed. Jij moet op Christus zien. Hoe kan ik jou deze week helpen Jezus met grotere discipline te volgen?” Hij had het zichzelf makkelijker kunnen maken door te zeggen dat hij het ook moeilijk had gehad die week, maar dat deed hij niet. Hij deed niet met mij mee toen ik ineen dook: Hij wees mij op Christus (Hebreeën 12:1-2). En hij bood mij aan te helpen om daar te komen. Hij verwondde mij vol liefde met de stok van afkeuring, hij herinnerde mij aan de genade die het Evangelie biedt en deed het aanbod om mij te helpen op die weg. Ik heb zulke mannen nodig in mijn leven. Wij allemaal.

Ik koesterde andermans zonden omdat ik stiekem wilde dat anderen die van mij zouden koesteren.

2. Noem alle standaarden ‘wettisch’
Ik heb Christenen ontmoet waarvan het leek alsof ze geloofden dat ze te vol waren van het Evangelie om te vermanen, te corrigeren of harde woorden uit te spreken richting een andere gelovige. Alle normen zijn wettisch en een aanval op onze genadige atmosfeer. Wij moeten de zondaar met begrip en liefde weglokken bij de zonde, en geen scheiding creëren met sterke woorden en specifieke verantwoording.

Zo iemand zou zomaar vergeten kunnen zijn wat er op het spel staat:

Zie erop toe, broeders, dat er nooit in iemand van u een verdorven hart zal zijn, vol ongeloof, om daardoor afvallig te worden van de levende God; maar vermaan elkaar elke dag, zolang men van het heden kan spreken, opdat niemand van u verhard zal worden door de verleiding van de zonde. Want wij hebben deel aan Christus gekregen, als wij tenminste het beginsel van de vaste grond van het geloof tot het einde toe onwrikbaar vasthouden.” (Hebreeën 3:12-14)  

Regelmatige vermaning is nodig omdat zonde verleidelijk is en het ons wegdrijft van de levende God. Het is niet toevallig dat de man die zijn zondige verlangens opzoekt zichzelf isoleert (Spreuken 18:1). Hij wil zulke vermaningen niet horen of gehouden worden aan Bijbelse standaarden. Help en voedt de vijand, het vlees, en de wereld niet door essentiële Christelijke vermaningen wettisch te noemen. Groei liever voorbij dat, wat John Piper noemt: “De puberfase waarin je denkt dat goede gewoontes wettisch zijn.” Zo lang als de dag nog vandaag genoemd wordt is het een dag om te vermanen en vermaand te worden tot geloof, bekering, liefde en goede werken.

3. Koester stiekem jouw eigen zonden
Ik weet dat ik mezelf afgeschermd heb van specifieke vermaning omdat ik van kinds af het principe ken dat Jezus leerde: “Want met dezelfde maat waarmee u meet, zal er bij u gemeten worden” (Lukas 6:38). Wij weten maar al te goed welke boemerang we niet gooien omdat we die simpelweg niet terug willen krijgen.

Ik wilde geen hoge standaarden op mij geplakt krijgen dus hanteerde ik zelf ook lage standaarden voor anderen. Ik koesterde andermans zonden omdat ik stiekem wilde dat anderen die van mij zouden koesteren. Dit is een zieke vorm van iets voor anderen doen waarvan jij graag wilt dat zij dat voor jou doen.

Om vrijmoedig en confronterend te spreken, heb je eerst moed nodig die voortkomt uit jouw haat tegen jouw eigen zonden. Wij strijden met splinters en balken in onze ogen om ons klaar te maken zodat we liefdevol en zonder hypocriet te zijn de balken en splinters in de ogen van onze broeder kunnen benoemen. En wij zijn dankbaar als zij hetzelfde bij ons doen.

Nederigheid zorgt er niet voor dat wij zonde geen zonde noemen; trots doet dat wel. Een liefde voor onze eigen reputatie, niet een liefde voor de ziel van onze broeder, houdt ons weg om de waarheid in liefde te spreken.

4. Denk verkeerd over nederigheid
Nederigheid zorgt er niet voor dat wij zonde geen zonde noemen; trots doet dat wel. Een liefde voor onze eigen reputatie, niet een liefde voor de ziel van onze broeder, houdt ons weg om de waarheid in liefde te spreken. Wij leren namelijk iets anders van de drie nederigste mannen in de Bijbel: Johannes de Doper, Mozes en Jezus.

Johannes de Doper, een man geboren met de Geest, hij die eens zei dat hij niet waardig was de riem van Jezus’ sandalen los te maken, sprak confronterende woorden over de zonden van anderen. Dezelfde man die zei dat Jezus meer moest worden (en hijzelf minder) zei publiekelijk: “Adderengebroed, wie heeft u laten weten dat u moet vluchten voor de komende toorn? Breng dan vruchten voort in overeenstemming met de bekering” (Lukas 3:7-8).

Mozes, de meest zachtmoedige man op aarde (Numeri 12:3), riep mensen continu op om zich te bekeren van hun klagen en koppigheid. “Besnijd dan de voorhuid van uw hart en wees niet langer halsstarrig” (Deuteronomium 10:16). Na het incident met het gouden kalf verbrandde Mozes het beeld en liet het de Israëlieten drinken (Exodus 32:20).

Tot slot Jezus, de Man die nederig van hart is, sloeg de tempel met een gesel leeg, vertelde de Farizeeën keihard in het gezicht waar het op stond en was niet bang zijn eigen discipel “satan” te noemen toen Petrus de dingen van mensen bedacht (Markus 8:33). Nederigheid heeft anderen voldoende lief om het hen oncomfortabel te maken wanneer dat nodig is.

Heb de zondaar lief door zijn zonden te haten
Koesteren wij het niet meer als een vriend ons verwondt? Zijn wij, omdat onze identiteit ligt in onze prestaties, te breekbaar geworden voor correctie? Koesteren wij het kwaad, het kwaad waar onze Heer voor stierf zodat het onze harten en levens zou verlaten? “Wie bestraffing haat zal sterven” (Spreuken 15:10); die veracht zijn leven (Spreuken 15:31-32) en doet zichzelf dwalen (Spreuken 10:17).

Wij verwonden anderen niet om kwaad te doen. Wij verwonden zoals de Almachtige dat doet: om te verbinden en te genezen.

Wij hebben de zondaar lief door zijn zonden te haten. Wij haten allereerst en vooral onze eigen zonden en wij nemen de zonden van anderen serieus omdat wij hun eeuwige bestemming serieus nemen. Wij verwonden anderen niet om kwaad te doen. Wij verwonden zoals de Almachtige dat doet: om te verbinden en te genezen (Job 5:17-18).

Daarom, in gebed en met zorgvuldig inzicht spreken wij vol geduld en liefde individuen aan, bouwen wij goede gewoontes op, nodigen wij anderen uit onze zonden te haten en denken wij op de juiste manier over nederigheid. Wij confronteren elkaar als we verleid worden ons te verschuilen achter telefoonmasten en moedigen elkaar aan richting betere plaatsen.

Bron: desiringgod.org