Hoe je de Heilige Geest kunt herkennen

Kun jij, van alle zegeningen die in Christus van ons zijn geworden, een grotere bedenken dan die van de inwonende aanwezigheid van de Heilige Geest? 

De Geest is “de optelsom van de zegeningen die Christus zocht, door wat Hij deed en heeft geleden in Zijn Verlossingswerk” (Works of Jonathan Edward, 5:341). De Geest verlicht het gezicht van onze Verlosser (Johannes 16:14) De Geest legt “Abba! Vader!” in onze mond (Romeinen 8:15). De Geest plant de hemel in ons hart (Efeze 1:13-14).

Ondanks alle zegeningen die de Geest geeft, zijn velen van ons echter in verwarring als het gaat om het herkennen van de aanwezigheid van de Geest. Als een nieuwe gelovige werd mij verteld dat spreken in tongen en profeteren twee onmisbare tekenen van de kracht van de Geest waren. Misschien identificeren anderen van ons, zonder de lens zo scherp te stellen, ook de aanwezigheid van de Geest het gemakkelijkst met zijn wonderbaarlijke gaven: visioenen, genezingen, ingevingen en meer.

Voor de duidelijkheid, de Geest openbaart zich inderdaad door zulke wonderen (1 Korinthe 12: 8–11), en christenen moeten er vandaag de dag “naar streven” (1 Korinthe 14: 1). Toch, wanneer Paulus tegen de Galaten zegt “door de Geest te wandelen” en “door de Geest te leven” (Galaten 5:16, 25), richt hij zijn aandacht niet op de gaven van de Geest, maar op de vrucht van de Geest.

Wanneer Paulus tegen de Galaten zegt “door de Geest te wandelen” en “door de Geest te leven” , richt hij zijn aandacht niet op de gaven van de Geest, maar op de vrucht van de Geest.

Dus als we willen weten of we door de Geest wandelen, of dat we opnieuw zijn voetstappen moeten vinden, doen we er goed aan onze liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing te evalueren. 

Vrucht van de Geest
Om de vrucht van de Geest te begrijpen, moeten we de context onthouden waarin deze verschijnt. De lijst van Paulus kwam was ten eerste geschreven voor een gemeenschap die op gespannen voet met elkaar stond. De apostel voelde zich genoodzaakt om de Galaten te waarschuwen elkaar niet te bijten en te verslinden en geen mensen met eigendunk te worden en elkaar niet uit te dagen of te benijden (Galaten 5:15, 26). De Galaten begonnen zich duidelijk, door zich af te keren van Gods genade in het Evangelie (Galaten 1:6), tegen elkaar te keren.

In deze context beschrijven de werken van het vlees en de vrucht van de Geest twee gemeenschappen: de anti-gemeenschap van hen die in het vlees zijn en gerechtigheid zoeken op basis van hun werken (Galaten 5: 19–21); en de ware gemeenschap van hen die in de Geest zijn, gerechtvaardigd door geloof alleen, in Christus alleen (Galaten 5: 22–23).

Terwijl we de lijst van Paulus gebruiken om onszelf te onderzoeken, moeten we ons afvragen of deze genades ons kenmerken; niet op het moment dat we in vreedzame stilte zitten, maar wanneer we ons onder Gods volk bewegen. Ik kan geduldig, zachtaardig en vriendelijk overkomen als ik alleen in mijn appartement ben, maar hoe zit dat als ik met mijn broeders en zusters ben? Wie we zijn bij anderen – anderen die we vreemd vinden, irritant of onwetend – laat zien hoe ver we zijn gekomen in het dragen van de vrucht van de Geest.

Goed, wat zijn die negen onderdelen van de vrucht die de aanwezigheid van de Geest laten zien? Om het overzichtelijk en behapbaar te houden zullen we slechts één of twee hoeken van iedere deugd belichten, en beperken we ons vooral tot de brieven van Paulus.

Liefde: zet jij je in voor het welzijn van je broeders en zusters?
Wanneer God Zijn liefde door de Geest in onze harten heeft uitgestort (Rom 5:5), verandert onze houding: waar we eerst naar binnen waren gericht in zelfzuchtigheid, strekken we nu onze rug, heffen we ons hoofd op en beginnen we onszelf te vergeten in het belang van anderen (Fil 2:1-4). We zien dat onze harten één worden met mensen die we vroeger negeerden, veroordeelden of zelfs verachtten (Kol 2:2, Rom 12:16). Onze liefde hangt niet langer af van of we iets mooi vinden; nu we de liefde van Christus hebben gevoeld (Gal 2:20), dragen we liefde met ons mee, waar we ook gaan.

Zulke liefde dringt ons in te zetten voor het welzijn van onze broeders en zusters (1 Thes 1:3), om geduldig om te gaan met mensen aan wie we ons ergeren (Ef 4:2), en om meer om het geestelijke welzijn van onze broeder te geven dan om onze eigen geestelijke vrijheid (1 Kor 8:1). Ongeacht onze positie in de gemeente beschouwen we onszelf graag als dienaren (Gal 5:13), en leren we om niet meer te vragen “wie zal vandaag aan mijn behoeften voldoen?” maar eerder “aan wiens behoeften kan ik vandaag voldoen?”

Het is veel beter om zelfs maar een greintje van deze liefde in ons hart te dragen dan te genieten van alle rijkdom, comfort of lof van deze wereld. Want op de dag waarop al het andere voorbij gaat, zal de liefde blijven (1 Kor 13:7-8).

Blijdschap: Verheug jij je in de gelijkenis tussen Christus en Gods kinderen?
Voor Paulus was de gemeenschap van Gods kinderen niet een bijzaak van christelijke vreugde. Hij kon aan Timotheüs schrijven: “[ik] verlang er vurig naar u te zien, om met blijdschap vervuld te worden.” (2 Timoteüs 1:4), of aan de Filippenzen: “in elk gebed van mij voor u allen bid ik altijd met blijdschap” (Filippenzen 1:4). Zeker, de vreugde van de Geest is in de eerste plaats vreugde in onze Heer Jezus (Filippenzen 4:4). Maar echte vreugde in Christus stroomt over naar allen die worden hernieuwd naar Zijn beeld. Door het geloof hebben we de schitterende glorie van onze Koning gezien – en nu verheugen we ons erop om Zijn weerspiegeling in de gezichten van de heiligen te zien.

Het hoogtepunt van onze horizontale vreugde is niet alleen maar dat we onder het volk van God zijn, maar dat we zien dat ze op Jezus lijken. “Maak mijn blijdschap volkomen”, schrijft Paulus aan de Filippenzen, “doordat u eensgezind bent, dezelfde liefde hebt, één van ziel bent en één van gevoelen” (Filippenzen 2: 2). Wat zou jouw vreugde compleet maken? Als we door de Geest wandelen, maakt de volwassenheid van Gods volk onze vreugde compleet. We verheugen ons wanneer we nederigheid zien zegevieren over trots, lust zien wegvallen voor een beter genot, de timide het Evangelie met vrijmoedigheid horen spreken en vaders zien die hun families leiden in de vreze des Heere.

Vrede: Streef jij naar de eenheid van de Geest, zelfs als dit aanzienlijk persoonlijk verlies betekent?
De Heilige Geest is de grote Vereniger van de kerk. Vanwege het vredeswerk van Jezus aan het kruis, maakt de Geest Jood en heiden tot  “één nieuw mens” (Efeziërs 2:15); Hij verzamelt voormalige vijanden als “huisgenoten van God” (Efeziërs 2:19); Hij bouwt ons allemaal “tot een heilige tempel in de Heere” (Efeziërs 2: 21–22). Hoe verschillend we ook lijken te zijn van de persoon naast ons in de kerkbank, we delen één lichaam, we delen één huis, we delen één heiligdom – allemaal omdat we dezelfde Heer delen en op een dag dezelfde hemel zullen delen (Efeziërs 4:4 -6).

Degenen die door de Geest wandelen, bedroeven hem niet, door af te breken wat Hij heeft opgebouwd (Efeziërs 4:29–30), maar “[jagen naar] wat de vrede en de onderlinge opbouw bevordert” (Romeinen 14:19): wij vragen als eerste om vergeving, zelfs als het grootste deel van de fout bij de andere persoon ligt. We zien af van ongegronde achterdocht en kiezen ervoor van het beste uit te gaan. We verafschuwen alle roddels en eren in plaats daarvan onze broeders achter hun rug. En wanneer we een conflict moeten aangaan, streven we naar herstel, zodat we in vrede kunnen leven (2 Korinthiërs 13:11).

Het is onmogelijk dat iemand onder een waterval gaat zitten en droog kan blijven; zo ook is het niet mogelijk dat iemand zijn blik op Jezus richt, en vruchteloos blijft.

Geduld: Groei jij in je vermogen om over de zonde heen te kijken?
Geduld is, als vrucht van de Geest, meer dan het vermogen om kalm te blijven in het verkeer of om rustig bij de dokter te blijven wachten als de afspraak vóór jou enorm uitloopt. Geduld is de innerlijke geestelijke kracht (Kolossenzen 1:11) die ons in staat stelt om, als iemand recht in je gezicht tegen je zondigt, er direct overheen te kijken. Geduldige mensen zijn zoals God: “langzaam tot toorn” (Exodus 34:6), zelfs wanneer ze worden geconfronteerd met herhaalde en ernstige opruiing (Romeinen 2:4; 1 Timotheüs 1:16).

Geduld heeft alles te maken met één van de primaire verantwoordelijkheden van de kerk: discipelschap. Toen Paulus Timotheüs aanspoorde om “het woord te prediken. . . gelegen of ongelegen”, zei hij dat hij dit moest doen met  “alle geduld” (2 Timotheüs 4:2; vgl. 3: 10–11). Bediening in de gemeente, ongeacht onze rol, plaatst ons in het bijzijn mensen bij wie de vooruitgang veel langzamer gaat dan we zouden willen. We zullen ons begeven tussen “de moedelozen” en “de zwakken”, en in plaats van daar aanstoot aan te geven, moeten we “met allen geduld hebben” (1 Tessalonicenzen 5:14). We moeten naast de ploeterende, struikelende heilige gaan staan en bedenken dat hij op een dag zal stralen als de zon (Mattheüs 13:43).

Vriendelijkheid: Kijk je niet alleen over de zonde heen, maar betaal je die ook terug met liefde?
Het is één ding om, wanneer iemand tegen je zondigt, rustig weg te lopen. Het is heel wat anders om, als iemand tegen je zondigt, dit om te vormen in de fabriek van je ziel en vervolgens als een zegen terug te sturen. Het eerste is geduld; het tweede is vriendelijkheid (Romeinen 2:4-5; Titus 3:4-6; Efeze 4:32). Door de Geest bewerkte vriendelijkheid creëert ouders die hun kinderen opvoeden met een vaste, tedere stem; slachtoffers die genadig kunnen reageren op onkundige, ongevoelige “steun”; echtgenotes en echtgenoten die een scherp woord terugbetalen met een kus.

Deze vrucht van de Geest is nog niet volwassen geworden in ons, tenzij we klaar zijn om niet alleen vriendelijkheid te tonen aan degenen die ons er op een dag voor zullen bedanken, maar ook voor “de ondankbaren en de slechten” (Lukas 6:35). De vriendelijke is in staat om zegen te geven, er een vloek voor terug te krijgen, en vervolgens zegen te blijven geven (Romeinen 12:14). 

Goedheid: zoek jij naar kansen om behulpzaam te zijn?
Buiten de momenten om dat er tegen hen gezondigd wordt, hebben degenen die door de Geest wandelen een algemene instelling om zich nuttig te maken en genereus en behulpzaam te zijn. Ze hoeven niet te horen dat ze moeten helpen afdrogen bij de afwas of dat de afvalbak geleegd moet worden; ze gaan direct met goede wil aan het werk. 

Maar zulke mensen doen niet alleen goed als ze daarvoor de mogelijkheid krijgen; zij besluiten ten goede (2 Tessalonicenzen 1:11), en gebruiken hun verbeeldingskracht voor nog niet bedachte goede daden terwijl zij proberen te “beproeven wat de Heere welbehaaglijk is” (Efeze 5:8-10). Ze volgen de raad op van Charles Spurgeon: “Laten we op onze hoede zijn voor de mogelijkheid om ons nuttig te maken; laten we de wereld ingaan met onze oren en ogen open, klaar om van elke gelegenheid gebruik te maken om goed te doen; laten we niet tevreden zijn totdat we ons nuttig maken, maar laat dit de belangrijkste vorm en ambitie van ons leven zijn” (The Soul-Winner, 312).

Trouw: doe jij wat je zegt dat je zult doen, zelfs in de kleinste dingen?
De trouw van God bestaat, voor een deel, hierin, dat Hij altijd doet wat Hij zegt dat Hij zal doen: “Hij die u roept, is getrouw: Hij zal het ook doen” (1 Thessalonicenzen 5:24). De trouw van Gods volk bestaat, op dezelfde manier, hierin, dat wij er alles aan doen om te doen wat we zeggen dat we zullen doen, zelfs als het pijn doet.

De Geest doet ons ernaar streven om met Paulus te zeggen: “Maar God is getrouw: ons woord tot u is niet ja en nee geweest” (2 Korinthe 1:18). De gelovigen bouwen zo’n betrouwbare reputatie op dat, wanneer ze hun woord niet naleven, anderen niet zeggen: “Ach, je weet hoe hij is”, maar dat ze juist verrast zijn. Als we zeggen dat we naar bijbelstudie gaan, dan komen we. Als we hebben toegezegd de badkamer schoon te maken, dan maken we die schoon. Als we hebben afgesproken om iemand te bellen op donderdag om 16.00, dan bellen we op donderdag om 16.00 uur. We werken om getrouw te zijn, zelfs als onze verantwoordelijkheden op dit moment slechts “weinig” zijn (Mattheüs 25:21), wetende dat hoe we omgaan met kleine verantwoordelijkheden onthult hoe we met de grote omgaan (Lukas 16:10; 2 Timotheüs 2:2).

Zachtmoedigheid: gebruik jij jouw kracht om de zwakke te dienen?
Zachtmoedigheid is heel wat anders dan de opgepoetste aardigheid zoals die soms wordt afgeschilderd. “Zachtmoedigheid is in de Bijbel nadrukkelijk niet een gebrek aan kracht”, maar eerder “de goddelijke oefening van macht,” schrijft David Mathis. Toen Jezus kwam om zondaren te redden, bekleedde Hij Zichzelf met zachtmoedigheid (Mattheüs 11:29; 2 Korinthe 10:1). Als we ons werk doen in het terechtbrengen van onze broeders en zusters moeten we dezelfde geest van zachtmoedigheid aannemen (Galaten 6:1). Zachtmoedigheid verhindert niet dat de godvruchtige ooit boosheid uit, maar dat ze terughoudend zijn om dat te doen; ze corrigeren anderen veel liever “in liefde en in een geest van zachtmoedigheid” (1 Korinthe 4:21). 

Geen wonder dat Paulus zachtmoedigheid samen noemt met nederigheid in Efeze 4:2. Zoals een Grieks woordenboek het uitdrukt, zachtmoedigheid vereist “niet te erg onder de indruk zijn van jouw gevoel van eigenbelang”. Bij een persoonlijke aanval, laten de trotse mensen hun woede gaan om zichzelf te laten gelden. De nederigen zijn meer bezig met de ziel van de dader dan met hun eigenbelang, en dus gebruiken zij hun kracht ten dienste van zachtmoedig herstel. 

De Bijbel geeft ons geen rooskleurige plaatjes van zelfbeheersing. Paulus schrijft: “En iedereen die aan een wedstrijd deelneemt, beheerst zich in alles… Ik oefen mijn lichaam op harde wijze” (1 Korinthe 9:25, 27). Het Griekse woord voor oefenen betekent hier “een blauw oog te geven, in het gezicht te slaan.”  Paulus gebruikt dit metaforisch, maar het punt blijft staan: zelfbeheersing doet pijn. Het eist van ons dat we genadeloos “Nee!” zeggen tegen elke begeerte die ons wegtrekt van de Geest naar het vlees (Titus 2:11-12).  

Het belang van zelfbeheersing is van toepassing op elk lichamelijk verlangen – bijvoorbeeld naar slaap, eten, en cafeïne – maar met name het seksuele verlangen; de begeerte (1 Korinthe 7:9). Degenen die door de Geest wandelen leren, zelfs als dit met vallen en opstaan gaat, om Gods beloften harder te horen dan de eisen van hun lust, en te weigeren om seksuele immoraliteit de ruimte te geven onder de heiligen (Efeze 5:3).

Door de Geest wandelen
De Geest van God wordt nooit inwonend zonder dat Hij van die persoon een tuin van geestelijke vruchten maakt. Als we overvloedig zijn in deze negen vruchten, wandelen we door de Geest; als deze deugden afwezig zijn, is er geen enkele geestelijke gave die hun gebrek kan compenseren. Hoe moeten we reageren als we merken dat de werken van het vlees onze tuin hebben overwoekerd? Of hoe kunnen we de vrucht van de Geest levenslang blijven cultiveren? We kunnen beginnen met het onthouden van drie dagelijkse houdingen, die, door ze telkens te herhalen, de basis vormen voor elk streven naar heiligheid van iedere Christen: bekeer je, vraag vergeving en begin opnieuw. 

Bekeren. Wanneer de werken van het vlees controle over ons hebben gekregen, moeten we teruggaan en ons bekeren, om vooruit te gaan in heiligheid. Belijd je zonden en wees eerlijk en specifiek (wellicht met behulp van de lijst van Paulus in Galaten 5:19–21), en vertrouw dan opnieuw op “de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven” (Galaten 2:20). Herinner je opnieuw dat we niet gerechtvaardigd worden door vruchten, maar door geloof. 

Vraag vergeving. Zonder de vernieuwende, vruchtdragende aanwezigheid van Gods Geest, zijn wij allemaal een vervloekte aarde (Romeinen 7:18). Als we de vrucht van heiligheid willen gaan dragen, moeten we Hem “Die u de Geest verleent” vragen dat meer en meer te doen (Galaten 3:5).

Begin opnieuw. Tot slot richten we onze blik opnieuw op Jezus Christus, Die door de Geest verheerlijkt wordt (Johannes 16:14; Galaten 3:1-2). Daar vinden we onze vruchtbare Wijnstok: onze liefdevolle Heer, onze vreugdevolle Koning, onze Vredevorst, onze geduldige Meester, onze genegen Vriend, onze goede God, onze trouwe Heiland, onze zachtmoedige Herder, onze Broer die in alles op dezelfde wijze als wij is verzocht, maar met perfecte zelfbeheersing. Het is onmogelijk dat iemand onder een waterval gaat zitten en droog kan blijven; zo ook is het niet mogelijk dat iemand zijn blik op Jezus richt, en vruchteloos blijft.

De hemel in ons hart
Natuurlijk is het vernieuwen van onze blik op Jezus Christus meer dan het werk van één moment. Toen Paulus zei: “[ik] leef door het geloof in de Zoon van God” (Galaten 2:20), sprak hij over een levensstijl, en niet over een vluchtige gedachte of een kort gebed. We moeten meer doen dan onze blik even laten vallen op Jezus; we moeten gemeenschap met Hem hebben. 

Dit is wat we ontdekken als we door de Geest van Christus wandelen: door ons huis op Hem te bouwen, maakt Hij van ons hart een hemel. 

We kunnen nooit te dicht bij Christus wandelen, noch kunnen we te veel energie steken in het streven naar zo’n wandel. Als het ons doel wordt om dicht bij Hem te leven, zullen we honderdvoudig beloond worden op onze inspanning. De Puriteinse Richard Sibbes preekte eens:

Koesteren we Christus tot ons eigen verlies? Komt Hij met leegte? Nee; Hij komt met alle genade. Zijn goedheid is een overdraagbare, wijde goedheid. Hij komt om zijn schatten te verspreiden, het hart te verrijken met alle genade en kracht, alle leed te dragen, alle gevaren het hoofd te bieden, rust in ons geweten, en vreugde in de Heilige Geest. Hij komt, en dat is zeker, om van onze harten een hemel te maken (Works of Richard Sibbes, 2:67).

Dit is wat we ontdekken als we door de Geest van Christus wandelen: door ons huis op Hem te bouwen, maakt Hij van ons hart een hemel. 

Bron: desiringgod.org