Ik hou niet van kritiek

We reden zondagavond naar huis na een weekendje bij familie, toen een andere auto vlak voor mijn neus besloot om in te gaan halen. Daardoor moest ik stevig in de remmen. Ik produceerde een reeks verwensingen die ik hier maar niet ga herhalen. “Was dat nou nodig?” vroeg mijn vrouw me. En toen merkte ik iets vreemds bij mezelf.

Ik wist heel goed dat mijn vrouw gelijk had. Ik had me kunnen beheersen en die scheldwoorden binnen kunnen houden. Dat had ik zelfs móéten doen. Maar hoewel ik dat wist, ging ik toch proberen me eruit te praten. Het was toch mijn schuld niet! Had die andere bestuurder me maar ruimte moeten geven! En daarnaast moest mijn vrouw eerst maar eens naar haar eigen taalgebruik kijken! Toen de boosheid was gezakt bleef er uiteindelijk een diep gevoel van teleurstelling over. Teleurstelling, omdat mijn ego weer eens te groot bleek. Omdat ik niet wilde erkennen dat ik mezelf had laten gaan.

Vorige week schreef ik dat mensen zich soms snel veroordeeld voelen. Dit was een goed voorbeeld. Het is moeilijk om nederig te zijn. Om mijn eigen zonden en missers onder ogen te zien en tegenover anderen toe te geven. Als mens houd ik niet van kritiek, wil ik mezelf handhaven. Al weet ik heel goed dat ik iets heb gedaan wat pertinent tegen Gods wil is, ik heb altijd wel een smoes. En dat brengt me bij iets wat minstens net zo moeilijk is als kritiek incasseren: kritiek géven.

Elkaar terechtwijzen is niet populair. In de kerk niet en ook op puur persoonlijk vlak niet. Maar toch worden we er in de Bijbel toe opgeroepen. “Vermaan elkaar elke dag, zolang men van een heden kan spreken, opdat niemand van u verhard zal worden door de verleiding van de zonde.” (Hebreeën 3:13). Dat terechtwijzen is een andere valkuil van me. Als ik zie dat iemand van wie ik houd iets doet wat hem of haar verder bij God vandaan kan brengen, kan ik daar enorm mee zitten. Er buikpijn van hebben zelfs. Dan denk ik uren na of ik er iets van moet zeggen en zo ja, wat dan. En uiteindelijk zeg ik óf niks, óf flap ik er iets uit wat negatief en liefdeloos klinkt. En dan volgt de teleurstelling. Wéér een mogelijkheid voorbij laten gaan om iemand iets van Gods liefde te laten zien.

David Mathis schreef ooit een stappenplan om medemensen in liefde terecht te wijzen. Gebaseerd op de Bijbel, gedragen door gebed. Heel mooi. Maar de praktijk is weerbarstig – of nee, ikzélf ben weerbarstig. Ik laat mezelf elke keer weer geloven dat ik beter mijn mond kan houden, of dat het tóch niet overkomt wat ik ga zeggen. En dan verlies ik uit het oog waar het eigenlijk om gaat: Gods eer en het welzijn van iemand van wie ik houd.

Of ik nu iemand terechtwijs of zelf terechtgewezen word, altijd kom ik mezelf weer tegen. Het is een gevecht dat ik in mijn eentje niet ga winnen. Ik moet mezelf uit het oog verliezen. God moet meer worden in mijn leven en ikzelf minder. En dan nog word ik geen volmaakt mens. Zolang ik hier op aarde rondloop blijft het aanmodderen. Maar ik hoop en bid dat ik ondanks mezelf een klein beetje van de liefde van God mag uitstralen.

Bron: steil.blog