‘Jezus!’ riep de hindoe

De enorme slang met zijn brede, wigvormige kop was dicht genoeg bij me om hem te kunnen aanraken. Hij schoof naar voren, klaar om aan te vallen. Op dat moment van doodsangst hoorde ik uit het verleden mijn moeders stem, alsof ze naast me stond: “Als je ooit echt in gevaar bent en niets schijnt te helpen, dan is er nog een andere God tot wie je kunt bidden. Zijn naam is Jezus”.

Mijn wanhopige schreeuw werd gesmoord en was nauwelijks hoorbaar: “Jezus! Help me!” Tot mijn opperste verbazing liet de slang zijn kop naar de grond zakken, draaide onhandig in het rond en kronkelde zich met grote vaart het struikgewas in. Met trillende benen ging ik met een grote boog om de plaats heen waar de slang verdwenen was en strompelde door het dichte struikgewas terug naar het pad, vervuld met dankbaarheid en verwondering over die verbazingwekkende God, wiens naam is: Jezus. Ik ken Hem niet. Waarom had mijn moeder, of de swami in de tempel, mij niet meer over Hem geleerd?

Nu weet ik: Jezus leeft! Hij is de weg, de waarheid en het leven. Hij is niet gekomen om zondaren te verdelgen – zoals Krishna van zichzelf zei – maar om ze te redden. Jezus is niet zomaar één van de vele goden. Hij is de enige ware God en Hij is op aarde gekomen als mens, niet alleen om ons te laten zien hoe we moeten leven, maar ook om te sterven voor onze zonden. Krishna heeft dat nooit gedaan.

En Jezus is opgestaan uit de dood, wat met Krishna, Rama of Shiva nooit gebeurd is – in feite hebben ze nooit bestaan. Ik weet het zeker: “Jezus, mijn Heiland leeft!”