Maak je nuttig!

Dat klinkt uitdagend, vind je niet? Mijn schoonmoeder zei altijd: ‘Eerst het nodige, vervolgens het nuttige en dan het aangename’. ‘Maak je nuttig’ – die drie woorden spreken ons wel aan. Toch?

Activiteiten kunnen een waardevolle rol spelen in het dienstbaar zijn voor God. Tegelijkertijd kunnen ze een soort vlucht worden. Dat kan een valkuil zijn. Een mens kan, om het gebrek aan omgang met de levende God te camoufleren, vluchten in het ‘nuttig willen zijn’. Dat is heel herkenbaar, denk ik.

Luther
Vroeger ging men het klooster in als ‘wijkplaats voor de ziel’, als een vlucht om het onrustige hart tot rust te brengen. Een citaat uit een boek over het leven van Luther is veelzeggend: ‘De 17de juli 1505 was achter de aankomende juridische student, Maarten Luther, de poort van het Augustijner klooster te Erfurt dichtgegaan. Een nieuwe wereld gaat open (…). Gedurende het proefjaar ging alles goed. “In het eerste kloosterjaar houdt de duivel zich altijd koest” zegt hij later. In ieder geval was het noviciaat (één jaar proeftijd in het klooster) voor hem een rustige tijd. Hij had vrede met dit leven, de vele godsdienstige oefeningen, het regelmatige deelnemen aan de gebedsuren in de kloosterkapel, het praktische werk. De tucht, de meditatie, de gemeenschap der broeders deden hem goed. Hij was overtuigd te gaan op de weg die de heiligen gebaand hadden en die hem in de hemel zou brengen. En toen de dag van de gelofte kwam, was er niemand die bezwaar had. De novicenmeester (de geestelijke leidsman van de novice, de nieuwkomer)niet, noch de prior (kloosteroverste), de broeders niet en hijzelf allerminst (…). Met ongelooflijke ernst heeft hij alle vroomheidsoefeningen uitgevoerd, welke de Middeleeuwse kerk de mens, die bezorgd was om zijn ziel, aanbood. Luther verstond het monnikendom nog geheel als toevluchtsoord der ziel, wijkplaats ter verkrijging van het eeuwig heil.’ (Citaat uit uit: ‘Luther’, door Dr. W.J. Kooiman, blz. 9 en 11.)

Inderdaad: Luther had zich nuttig gemaakt, maar… was het niet gebeurd in eigen kracht? Gebeurt er vandaag ook niet veel, zonder dat men werkelijk vrede met God heeft? Is het niet van groot belang om eerst te leren rusten in het volbrachte werk van Gods Zoon en te putten uit de kracht van Gods Geest?

De kloof tussen weten en ervaren
O ja, het is goed mogelijk dat we vandaag meer weten dan Luther wist, maar blijkt die wetenschap ook uit ons dagelijks leven? Uit onze daden en de stress en onrust die we soms ervaren, blijkt wellicht dat we roomser zijn dan we denken. We moeten misschien ‘afgeroomd’ worden. Want kadaverdiscipline en werkheiligheid zijn niet het één en al.

De ‘dood van de oude mens’ moet voorafgegaan zijn aan een leven in de kracht van de Geest. Christus’ leven, dood en opstanding heeft dat mogelijk gemaakt. Ons eigen ‘ik‘   moet zich buigen doordat we onszelf overgeven aan God. In de wetenschap dat we los van Christus niets zijn of, om het anders te zeggen: nergens goed voor zijn.

We kunnen ons nuttig maken voor gebruik van de Meester. Dat is goed. Als we maar beseffen dat we niet met onze werken kunnen scoren bij God. We kunnen ons onrustig geweten daar ook niet mee sussen.

We kunnen ons nuttig maken voor gebruik van de Meester. Dat is goed. Als we maar beseffen dat we niet met onze werken kunnen scoren bij God.

In de Bijbel vinden we een voorbeeld van iemand die tot God komt met de ‘vrucht van de akker’ (Gen 4). Hij heet Kaïn en hij probeerde zich, net als Luther, nuttig te maken voor God. Maar al die arbeid voor God, van gezwoeg op het land tot en met zijn offer, bleek op het ‘moment suprême’ geen indruk te maken op God. Blijkbaar was er meer nodig voor een acceptatie van zijn offer. Iets wat buiten hem om ging. We noemen dat genade van God. En genade is ‘gratis, om niet, onverdiend, iets wat een mens van boven toevalt’.

Eigen gerechtigheid
Als de apostel Paulus in Romeinen 12:1-8 spreekt over ‘nuttig zijn’, begint hij in het eerste vers eerst te spreken over de barmhartigheid van God. Hij doet een beroep op Gods genade. Hij zegt als het ware: voordat ik ga spreken over de gaven, namelijk over het nuttig zijn daarvan, wil ik jullie nog eens herinneren aan het Evangelie. Dit Evangelie heb ik jullie breed uitgelegd in de eerste 11 hoofdstukken. Lees ze nog eens door en laat opnieuw tot je doordringen hoe groot Gods genade is. Je was reddeloos verloren en tot niets goeds in staat’. Paulus schrijft elders: ‘Wat het vlees bedenkt, is vijandschap tegen God, want het onderwerpt zich niet aan de wet van God, want het kan dat ook niet. En zij die in het vlees zijn, kunnen God niet behagen (lees: kunnen voor God niet nuttig zijn)’ (Rom. 8:7,8).

In Romeinen 10:2-4 staat over het godsdienstige, ijverige vlees zelfs dit: ‘Ik getuig van hen – Israël of de godsdienstige mens – dat zij ijver voor God hebben, maar niet met verstand. Want daar zij Gods gerechtigheid niet kennen en hun eigen gerechtigheid trachten op te richten, hebben zij zich aan de gerechtigheid van God niet onderworpen. Want Christus is het einde van de wet tot gerechtigheid voor ieder die gelooft.’

We zijn als nakomelingen van Adam, geestelijk gezien, zo dood als een pier. We worden door de wet van de zonde en de dood voortdurend naar beneden gezogen (Rom 8:2). Net zoals de zwaartekracht overal in de wereld werkzaam is, zijn deze wetten overal actief. Het maakt niet uit waar een mens zich bevindt.  Of hij nu thuis, in een ander land, in een drukke stad of in een stil klooster is.

De gerechtigheid die uit God is
We zijn krachteloos, goddeloos, zondig en vijandig en niet in staat om tegen de stroom van farizeïsme en zonde in te zwemmen. Er moet een andere wet werkzaam worden in ons leven, namelijk die van de Geest van het leven in Christus Jezus (Rom 8:4). Die wet treedt pas in werking nadat we het doodvonnis van God over de oude mens hebben horen uitspreken. Dan komen we tot het besef dat we ‘in Christus bevonden worden, niet in het bezit van een eigen gerechtigheid die uit de wet is, maar van die welke door het geloof in Christus is, de gerechtigheid die uit God is, gegrond op het geloof’ (Fil 3:9).

Nog een voorbeeld van uiterlijke vroomheid en eigen innerlijke kracht, vinden we in Paulus, die toen nog Saulus heette. Hij was het ‘beste jongetje van de klas’ en blonk uit in vroomheid en ijver. Overeenkomstig de wet was hij onberispelijk (Fil 3:4). Hetzelfde gold in meer of mindere mate voor Luther, Wesley en vele anderen.

Welke risico’s lopen wij?
Is het risico niet groot dat wij ons nuttig willen maken vanuit eigen kracht? Dat kunnen overigens op zich goede bezigheden zijn, waar niets mis mee is. Ik denk daarbij aan goede zaken als getuigen, bidden en vasten. Ook het regelmatig bezoeken van conferenties, samenkomsten of kerkdiensten, zijn op zich genomen positieve dingen.

Maar als christenen al die plichten naleven als een schuilplaats voor hun ziel, dan missen we de kracht van het ware Evangelie. Dan rijst de vraag of ze ooit bevrijd zijn van zonde en van het juk van zichzelf (of door anderen!) opgelegde wetten. Een andere mogelijkheid is dat ze wel weten dat Christus vóór hen stierf, maar niet dat Hij ín hen woont en werkt. Ze zijn weliswaar heel actief, maar missen de kracht van de Heilige Geest. Ze maken zich nuttig door eigen wilskracht of door hun natuurlijke kwaliteiten.

Niets lijkt me zo verraderlijk als pseudo-christelijke activiteit, als godsdienstigheid. Godsdienst zonder genade is zo subtiel aanwezig, dat een mens er zo maar in vervalt. Dat is zelfs mogelijk wanneer een mens de weg tot ware vrijheid heeft leren kennen. Waarom? Omdat we ons daarmee wel goed voelen. De diepe leegheid van ons hart en leven, blijven zonder de genade van God buiten schot. Ons gemis aan innerlijke Geesteskracht en leven uit God, worden goed gemaakt door goede werken.

Een mens kan geestelijke rust zoeken in een gave. Bijvoorbeeld gaven als het spreken in tongen, profetie, kennis, geloof of solidariteit met de armen (1 Kor 13:1-3). Een spectaculaire gave zou gemakkelijk een surrogaat kunnen worden voor Christus en de omgang met de levende God.

Een mens kan ook geestelijke rust zoeken in een talent. Daarbij denk ik aan het maken van muziek, kunst of het schrijven van teksten. Een test om na te gaan waarin een mens zijn voldoening vindt, is om zich af te vragen waarover of over wie hij met mede-gelovigen praat.

We kunnen op z’n minst op drie niveaus met elkaar praten. We kunnen het hebben over gewone alledaagse dingen, over onze activiteiten voor de Heer, maar ook over de omgang met de Vader en de Zoon zélf, in de kracht van de Geest. We kunnen ons als mens de vraag stellen, wanneer we voor het laatst in stilte hebben gebeden of wanneer we voor het laatst ‘in het heiligdom’ zijn geweest. Wanneer heb jij of ik voor het laatst ‘Abba Vader’ gezegd? Wat kunnen we als gelovigen zeggen over onze ziel? Kan de apostel Johannes tegen ons zeggen: ‘Geliefde, ik wens dat het u in alles goed gaat en dat u gezond bent, zoals het uw ziel goed gaat’? (3 Joh 1:2)

Overgave
De vraag die overblijft is: wat we vanuit Gods genade wél aan goeds kunnen doen? Als we dan geleerd hebben om in Christus te rusten en Hem te ervaren als de kracht van ons leven, willen we ook in afhankelijkheid van Hem nuttig bezig zijn. Het Johannes evangelie zegt daar het volgende over: ‘Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf als zij niet in de wijnstok blijft, zo ook u niet, als u niet in Mij blijft. Ik ben de wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u helemaal niets doen’ (Joh 15:4-5). De vraag die zich opdringt, is de volgende: wat moet ik nu doen én hoe doe ik dat? Het lijkt me van belang dat we eerst heel praktisch onze ‘lichamen stellen tot een levende offerande, heilig, voor God welbehaaglijk’. Dat houdt in dat we ons zonder reserve aan Hem geven. In de trant van: ‘Hier ben ik, Heer!’

Samenvattend: het leven van een christen begint met overgave (Rom 12:1). Sterker nog, er is geen ‘effectieve’ gave zonder overgave! Pas dan komt een christen in de school van God. Men ontdekt dan dat hij of zij niet in het gareel van de wereld moet meelopen. Paulus schrijft daarover: ‘…en wordt niet gelijkvormig aan deze wereld’ (Rom 12:2)

Het leven van een christen begint met overgave. Sterker nog, er is geen ‘effectieve’ gave zonder overgave!

‘Ik-gericht’ of ‘Christus-gericht’?
Het lijkt er op dat Gods manier van werken lijnrecht tegenover de wereldse manier van doen staat. We zijn zo gewend vanuit ons natuurlijk enthousiasme, onze natuurlijke aangeboren krachten en talenten te werken. Op zich is daar niets mis mee. Immers, de God die mij geschapen heeft, is dezelfde God die mij herschapen heeft. Hij wil mijn talenten ombuigen van ‘ik-gericht’ naar ‘Christus-gericht’. Maar we kunnen zo op onze eigen kwaliteiten varen dat we anderen minderwaardigheidsgevoelens kunnen bezorgen. Zo kunnen we God en onze medemensen danig in de weg staan. Een voorbeeld van geloof in eigen kracht en mogelijkheden, vinden we bij Petrus. Petrus beweerde: ‘ook al zullen allen ten val komen, ik echter niet (…), al moest ik met U sterven, ik zal U geenszins verloochenen’ (Mark.14:27-31). Niet lang daarna verloochende hij zijn Meester.

Voor ons als christenen geldt: ‘Als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen; maar als zij sterft, draagt zij veel vrucht. Wie zijn leven liefheeft, verliest het; en wie zijn leven haat in deze wereld, zal het bewaren tot het eeuwige leven’ (Joh 12:24-25)

Begaafd en begrensd
In de omgang met de God van de genade worden we langzamerhand ‘veranderd door de vernieuwing van ons denken, opdat we beproeven wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is’ (Rom. 12:2b). Daarna ontdekken we dat we niet alleen begááfd, maar ook begrénsd zijn. Die menselijke begrenzing zien we terug in het volgende vers: ‘Zoals God aan ieder een maat van geloof heeft toebedeeld’ (Rom 12:3). We zijn een onderdeel van een geheel. Ik ben als gelovige niet het hele lichaam, maar ik ben een klein radertje in het geheel. Ik wil me nuttig maken met het talent dat ik heb en niet jaloers zijn op de ander. Ik wil me ook niet verheffen boven de ander.

Alles wat we als gelovigen hebben, is ons gegeven. En dat: ‘Naar de genade die ons gegeven is’ (Rom 12:3). We mogen belijden dat wat we hebben, ontvangen is (1 Kor 4:7). Daar mogen we God voor danken en daarmee aan de slag gaan. Al doende leren we.

Volg je hart en deel je verlangen met anderen
Daarbij is het van groot belang dat iets wel ons ‘ding’ is. Anders houden we het niet vol. We moeten vermijden dat we proberen in de ‘geestelijke schoenen’ van anderen te lopen. Die zouden ons te groot of te klein kunnen zijn. We moeten onze eigen maat zoeken. De volgende voorbeelden wil ik noemen. Wanneer leidinggeven niet jouw ding is, laat je dan leiden. Wanneer onderricht geven niet bij jou past, laat je dan onderrichten. Als je warm loopt voor iets, dan kan het betekenen dat God je in die richting wil sturen. Als je op het puntje van je stoel zit, wanneer er gepreekt wordt over zending of evangelisatie, dan kan het betekenen dat daar jouw gaven liggen. Breng je verlangen bij de Heer, maar praat er ook over met geestelijke, volwassen broeders en/of zusters.

Sta niet aan de kant om anderen te bekritiseren, die hun hoofd boven het maaiveld uitsteken. De beste stuurlui staan aan wal.

Sta niet aan de kant
Ik zou je willen aanraden om je nuttig te maken in Gods Koninkrijk. Sta niet aan de kant om anderen te bekritiseren, die hun hoofd boven het maaiveld uitsteken. De beste stuurlui staan aan wal. Speel mee in Gods team en leer met anderen samen te werken. Laat je vormen naar het beeld van de Meester. Dit zijn adviezen om je te bemoedigen. Want er is werk genoeg. De Bijbel zegt: ‘De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinig; smeekt dan de Heer van de oogst dat Hij arbeiders in zijn oogst uitstuurt’ (Matt 9:37 en 38). Ik wil graag afsluiten met de woorden uit Mattheüs 20:6b: ‘Waarom staat u hier de hele dag werkloos? Zij zeiden tot hem: Omdat niemand ons gehuurd heeft. Hij zei tot hen: Gaat ook u in de wijngaard’.