Mijn redding uit de put: Het Woord dat ik nodig had in mijn donkerste dagen

Ik ontdekte de kracht van Gods Woord in de put van ellende.

Toen mijn voormalige man mij verlaten had, viel ik voorover in de diepte. Het was alsof ik werd gegrepen door een wervelwind, eentje die me oppakte van mijn gelukkige en veilige leventje, en in een donkere kolk gegooid werd. Dagenlang zat ik daar, alleen, twijfelend of ik de kracht had om door te gaan. Of ik dat überhaupt wilde. Er was geen licht, alles was zo verduisterd dat ik niets kon zien. Ik kon me niet voorstellen om voor altijd zo te moeten leven. Het idee dat ik ooit weer gelukkig zou worden gaf ik op.

Voor die wervelwind was ik Psalm 119 aan het lezen. Hoewel ik het waardeerde, vond ik het toch langdradig, saai en verschrikkelijk herhalend. Mijn houding veranderde in de put. Die woorden voelden nu als karton op goede dagen, lege beloften op gemiddelde dagen en gruwelijk sarcasme op slechte dagen. Ik had de Heer gezocht en was trouw geweest aan Zijn Woord, toch werd ik beschaamd (Psalm 119:2, 6). Ik vroeg me af of Gods beloften waar waren of dat ze me zouden teleurstellen, net zoals de rest van mijn leven gedaan had.

Mijn ziel kleeft aan het stof
Omdat er niets anders was om naar toe te gaan bleef ik Psalm 119 maar lezen en lezen, op zoek naar hoop en licht. Ik weet nog wanneer ik het vond.

Ik was aan het huilen, op zoek naar verlichting, toen ik las ‘Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend overeenkomstig Uw woord.’ (Psalm 119:25). Deze woorden kregen opeens een nieuwe betekenis. Ik bad ze en vroeg of God mij nieuw leven wilde geven door Zijn Woord omdat ik mij uitgewrongen voelde, meer dan ik aan kracht had. Ik wist niet of er iets was dat mij kon doen herleven.

Ik begon een lijst te maken met de voordelen van Gods Woord genoemd in Psalm 119, waarbij ik ook de nuances opmerkte waar ik eerder overheen las. Dat waren beloften waar ik me aan vast kon klampen, zekerheden dat God door Zijn Woord tot mij zou spreken om mij te onderwijzen, te troosten en mij te zenden. Vanaf toen las ik niet alleen de Psalm, ik bestudeerde het, markeerde het, memoriseerde het en ik mediteerde erover. Ik herhaalde de verzen richting God tijdens de dag en bad ze als ik ’s nachts wakker lag.

Zonder Gods Woord, dat mij herinnerde aan waarheid, had ik mij hopeloos gevoeld. Maar omdat ik wist dat God mij verdrukte in Zijn trouw (Psalm 119:75), geloofde ik dat Hij het goede uit mijn pijn naar boven zou halen.

Woorden die ik nodig had
Psalm 119 verzekerde mij dat ik alles wat ik nodig had kon vinden in de Schrift. Elke ochtend, voordat ik ook maar een woord gelezen had, bad ik: ‘Ontsluit mijn ogen en laat mij aanschouwen de wonderen van Uw wet’ (Psalm 119:18). Ik had woorden nodig om mijn verdriet te uiten en vond ze in Davids vragen: ‘Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw belofte, terwijl ik zei: Wanneer zult U mij troosten? … Hoeveel zijn de dagen van Uw dienaar? Wanneer zult U gericht oefenen over mijn vervolgers?’ (Psalm 119:82, 84).

God hoorde mijn roepen en beloofde mij dat Zijn Woord mij wijsheid zou geven (Psalm 119:66), en richting, als het mijn pad verlicht (Psalm 119:105). Het gaf mij hoop (Psalm 119:49), en het troostte mij in mijn pijn (Psalm 119:50). Ik voelde Gods vastberaden liefde (Psalm 119:76), toen Hij mij kracht gaf (Psalm 119:28) en mij vervulde met vreugde en vrede die mijn verdriet konden weerstaan (Psalm 119:111, 165). 

Zonder Gods Woord, dat mij herinnerde aan waarheid, had ik mij hopeloos gevoeld. Maar omdat ik wist dat God mij verdrukte in Zijn trouw (Psalm 119:75), geloofde ik dat Hij het goede uit mijn pijn naar boven zou halen.

Mijn enige constante
Elke dag leidde God mij precies waar ik naartoe moest. Ik kende Jeremia 29:11 altijd al (‘Ik immers, Ik ken de gedachten die ik over u koester, spreek de HEERE. Het zijn gedachten van vrede en niet van kwaad, namelijk om u toekomst en hoop te geven.’) maar ik had nooit gerealiseerd dat deze woorden geschreven waren aan mensen in ballingschap, gevangen in een plaats waar ze niet wilden leven. De ontmoediging die zij ervoeren spiegelde zich in die van mij.

Ik had mensen gehoord die God vroegen om duidelijk te zeggen, “Dit is de weg, bewandel die,” maar ik had nooit opgemerkt dat in Jesaja 30, verdrukkingen en moeilijkheden plaatsvinden voordat God duidelijk richting geeft. De profeet zegt: ‘De Heere zal u wel geven brood van benauwdheid en water van verdrukking, maar uw leraren zullen zich niet langer verbergen: uw ogen zullen uw leraren zien. Met uw eigen oren zult u een woord van achter u horen: Dit is de weg, bewandel die. Dit voor het geval u naar rechts of naar links zou gaan’ (Jesaja 30:20-21).  

Ik voelde me hopeloos en twijfelde of verandering wel mogelijk was. Maar toen las ik dat God ‘de doden levend maakt en de dingen die niet zijn, roept alsof zij zijn’ (Romeinen 4:17). In mijn wanhoop las ik de Bijbel met nieuwe ogen. Sindsdien verwachtte ik alles wat ik echt nodig had voor de dag te vinden in Gods Woord en las ik tot ik het gevonden had. Ik was de volhardende weduwe, de handelaar op zoek naar parels.

Vanaf toen benaderde ik mijn stille tijd met verwachting. God zelf zou mij ontmoeten. God zou mij onderwijzen. God zou mij troosten. Zijn Woord werd mijn enige constante, een onverplaatsbare rots waar ik op kon staan toen mijn leven voelde als drijfzand.

Mijn redding uit de put
Daarnaast vond ik niet alleen dat wat nodig was om elke dag te overleven, ik vond ook rotsvaste beloften die een bevestiging vormden voor dat wat ik aan het leren was. Deze waarheden openbaarden het grotere plaatje van wie God was en hoe Hij aan het werk was in mijn leven. Langzaam kreeg ik meer perspectief en zag ik dat God niet alleen mijn dagelijkse nood verzorgde.

Terwijl ik de dagelijkse portie Bijbel die God mij gaf tot me nam, zag ik hoe die teksten een onderling verband hadden en samenstrengelden en een stevig koord vormden. Het was dat koord dat mij uit de put trok. Dat koord verzekerde mij dat mijn beproevingen en moeiten een glorieus doel en einde kenden.

Door geloof vertrouwde ik erop dat alle dingen zich ten goede van mij werken en God volledig vóór mij is. Hij Die Zijn eigen Zoon niet spaarde gaf mij, om niet, in alles het beste van Zichzelf (Romeinen 8:28-32).

Gods Woord werd veel waardevoller voor mij in mijn lijden en heeft mij vreugde gegeven in mijn donkerste dagen.

Gods Woord werd veel waardevoller voor mij in mijn lijden en heeft mij vreugde gegeven in mijn donkerste dagen. Zoals Jeremia kan bevestigen, zelfs als hij treurt om zijn moeilijkheden: ‘Zodra Uw woorden gevonden werden, at ik ze op. Uw woord was mij tot vreugde en tot blijdschap in mijn hart’ (Jeremia 15:16). Zelfs in onze beproevingen, of misschien wel in het bijzonder in onze beproevingen, zal Gods onveranderlijke Woord ons doen herleven en ons leiden zodat we getroost kunnen worden met ‘het gras verdort, de bloem valt af, maar het Woord van onze God bestaat voor eeuwig’ (Jesaja 40:8).  

Bron: desiringgod.org