Ook als Hij niet redt…

Als we het goede aanvaarden van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden? (Job 2:10). Tussen alle kwalificaties die de gebeurtenissen uit het levensverhaal van Job kenmerken, verdient de term ‘grilligheid’ zeker een plaatsje. Zeggen we niet dat het lot vaak grillig is? Dat blijkt.

Grilligheid en God zijn in de ogen van veel gelovige mensen twee onverenigbare grootheden. Dat komt doordat zij denken in de wetten van oorzaak en gevolg: één en één is twee, goed hoort bij God en wat rest, is het kwaad. Op zich is met deze schematisering niet veel mis. Gevaarlijk wordt het wanneer mensen op grond van deze overzichtelijke en dus veilige categorisering God gaan claimen. Dat is zonde, want God claimen is God gebruiken, wat niet anders is dan beter dan God willen zijn.

De Bijbel is echter grilliger dan velen lief is. “Mijn vrouw leest detectives, ik lees de Bijbel”, sprak dogmaticus dr. Ben Wentsel eens tijdens een van zijn colleges, daarmee een nieuwe bijdrage leverend aan de door studenten reeds opgetekende lijst van Wentseliaanse aforismen. Kent de Bijbel het woord ‘onzekerheid’? Weinig, maar wel de situaties die dat predicaat rechtvaardigen. Kaleb houdt in Jozua 14 een slag om de arm, ondanks de belofte van God. Jozua kreeg aan de vooravond van de beslissende slag om Jericho al van God te verstaan dat zijn legermacht niet in het ene of andere kamp ingedeeld wenste te worden (Joz. 5:14).

Een indringend voorbeeld van het in tact laten van Gods soevereiniteit lezen we in de woorden van Esther, als zij verklaart aan de vooravond van haar bezoek aan Ahasveros: “Kom ik om, dan kom ik om” (Est 4:16, NBG). Nog indringender zien we dit gebeuren als de drie vrienden van Daniël tegenover Nebukadnessar fier verklaren: “Maar ook al redt Hij ons niet, majesteit, weet dan dat wij uw goden niet zullen vereren, noch zullen buigen voor het gouden beeld dat u hebt opgericht” (Dan. 3:18, HSV). Door de eeuwen heen hebben gelovigen de dood voor ogen gehad, niet zelden voorafgegaan door martelingen. Zij wisten dat God bij machte was hen te verlossen. Maar zij wisten ook dat God, vanuit een hoger plan dat Hij aan het volvoeren is, hun gebeden niet altijd zou willen verhoren.

Maar zij wisten ook dat God, vanuit een hoger plan dat Hij aan het volvoeren is, hun gebeden niet altijd zou willen verhoren.

Job geeft God ruim baan in Zijn handelen met hem. Eeuwen later zou de Zoon van God hetzelfde doen in de tuin van de pijn.