Overal behalve God: de verstikkende jacht naar geluk

Mensen hebben gedood om het te hebben. Koningen zijn gestoord geworden om het te vinden. Oorlogen hebben ervoor gediend. Affaires hebben het vereerd. Het najagen ervan bindt ons allemaal samen.

Ik kan me mijn eigen wanhopige zoektocht herinneren.

De beste ervaringen in dit leven zouden mijn verlangen ernaar voeden. Zonnige dagen aan het strand, vrijdagavonden op het sportveld, liefkozingen van mooie muziek, zomeravonden dansend in Latin clubs, Kerstochtenden met familie. Hoewel dit betoverend was voor een moment, werd dat snel verbroken bij hun vertrek. De zomers werden winter. Lachen veranderde in stilte. De zon verdween van de horizon. Volle kamers werden leeg. De muziek stopte.

Speel net zoals ik met sport, dans, vrouwen en entertainment – de reuring van alle genietingen op aarde bracht nog steeds het kleine gefluister niet tot zwijgen: er is meer. Toen het scrollen stopte, het seizoen voorbijging en de zonde was begaan, was er nog steeds iets in de stilte dat mij wenkte.

Dus ging ik op zoek naar de betoverde bloem op de volgende heuvel: dat pleziertje, deze vriendin, die prestatie. Iedere keer als ik aan het einde van de regenboog kwam, ontdekte ik het bedrog opnieuw. Alles is ijdelheid, het najagen van wind. Het was het kleine vuur dat perfect tussen de schouderbladen van mijn ziel was geplaatst. Ik kon bereiken wat ik wilde, het bonzen bleef bestaan.

Geluk is geen ‘iets’
Ik betwijfel of ik een pijn beschrijf die jij nog nooit hebt gevoeld. Ik wed dat iedereen een persoonlijk getuigenis kan geven dat aansluit bij wat Pascal zo lang geleden al schreef:

Alle mensen zoeken geluk. Dit is zonder uitzondering. Welke verschillende middelen ze ook gebruiken, ze dienen allemaal om dit doel te bereiken. Dat sommigen er oorlog om voeren, en anderen het vermijden wordt bij beide veroorzaakt door hetzelfde verlangen, gevolgd door verschillende opvattingen. De wil onderneemt grote stappen om dit doel te bereiken. Dit is het motief van elke actie van ieder mens, zelfs van degenen die zichzelf ophangen.

We zijn ons allemaal, in verschillende mate, bewust van dit gapende gat dat in ons is geplaatst door Iemand buiten onszelf. Onverklaarbaar, hongeren we naar een maaltijd die we nog niet geproefd hebben; smachten we naar stromen die onze lippen nog nooit hebben aangeraakt. En we kunnen het niet van ons afschudden. We proberen de eetlust te kalmeren met aardse hapjes of leiden onszelf af met goedkope opwinding, maar stille kamers maken ons nog steeds bang. Daar vindt het gefluister ons. Er is meer.

Die stem bereikte me uiteindelijk op een stille avond in mijn slaapkamer. Uitgeput en meestal met tegenzin bracht het me naar een Boek. En daar las ik het geheim, een geheim dat al mijn hele leven klaar stond om gehoord te worden: Onvergankelijke vreugde, het soort dat niet verwelkt of vlucht, dat niet gestolen of vernietigd kan worden, het ontembare, het niet afneembare geluk waarnaar ik verlangde was niet een onpersoonlijk ‘iets’, maar bestond in relatie tot een Hem.

Vreugde, zei de Bijbel, was geen filosofisch idee of een chemische reactie; het was dat wat onveranderlijk aan de tegenwoordigheid van God is geketend: “Overvloed van blijdschap is bij Uw aangezicht, lieflijkheden zijn in Uw rechterhand, voor altijd” (Psalm 16:11). Het wordt ervaren in Zijn rondgang, de atmosfeer van Zijn aanwezigheid, het aroma van Zijn geur.

God openbaarde dat miljarden mensen hun leven hebben besteed aan het graven naar sterren.

Volheid van vreugde, zo beweerde Hij, werd nergens anders gevonden. Wat velen “ware vreugde” noemen – een zelfstandig naamwoord dat zo gehavend en gekneusd is dat het de kruk van een bijvoeglijk naamwoord nodig heeft – komt niet, of eindigt niet, in deze wereld. God openbaarde dat miljarden mensen hun leven hebben besteed aan het graven naar sterren.

Verborgen voorwaarden van geluk
Maar God openbaarde ook dat hij voorwaarden had voor dit geluk om het mijne te kunnen zijn. Voorwaarden waarvan ik jarenlang niet kon geloven dat ik ze moest ontvangen om gelukkig te zijn. Ik wist zeker dat ik wel een andere deur vinden. Ik geloofde de mythe die Satan zo lang geleden begonnen was: het geluk waarnaar ik verlangde bestond buiten het koninkrijk van de gelukkige God. Ik had God niet nodig om de hemel te hebben. Ik heb de gekruisigde Christus niet nodig.

Niets dan verveling en saaiheid, dacht ik, stonden aan de andere kant van bekering en geloof. En ik was stervende door vast te houden aan deze fictie. Ik zou me niet overgeven. Vreugde zonder boetedoening was mijn idool. Vreugde die me niet deed buigen – die niet met mijn Maker rekening hield, noch mij confronteerde met mijn verraad – was mijn gouden kalf. Ik was als een hondsdolle hond die voor de dag wegvluchtte om achter de maan aan te rennen, zich verschuilend voor de warmte van het daglicht – vreugde – terwijl ik huiverde in de nacht. De kleine vuren van de mens konden de zon niet vervangen.

De uitnodiging van de lach
We kunnen onder elke rots kijken en jacht maken naar elke wind, en we zullen de vreugde niet vinden die we zo graag apart willen verkrijgen van die timmerman uit Nazareth. We hijgen voor een opgestane vreugde die aan de andere kant van de betaling voor de zonde staat. Een vreugde die bloed vereiste om te bereiken – de stroom uit Gods eigen aderen. De vreugde, waar alle verlangens van fluisteren, leeft op grond van het kruis, vrijelijk aangeboden aan degenen die zich van hun zonden bekeren en op Jezus vertrouwen. Het geluk waar alle andere genoegens van spreken, nodigt uit om te knielen.

De vreugde, waar alle verlangens van fluisteren, leeft op grond van het kruis, vrijelijk aangeboden aan degenen die zich van hun zonden bekeren en op Jezus vertrouwen.

Misschien ben je nog niet moe van het verkennen van de bronnen in deze wereld. Je bent nog niet wanhopig genoeg geworden om aan de deur van de hemel te kloppen. Je hebt nog steeds hoop op een andere wereld. Maar laat God je bij zinnen brengen, en je zult je realiseren dat deze kwellende dorst aan je is gegeven, zodat je deze uitnodiging van Jezus zou kunnen horen:

“Als iemand dorst heeft, laat hij tot Mij komen en drinken ” (Johannes 7:37).  

Zodat je Zijn belofte zou kunnen overwegen:

“Ik ben het Brood des levens; wie tot Mij komt, zal beslist geen honger hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst hebben.” (Johannes 6:35)

Zodat je de volbrenging van je vreugde zou kunnen vinden in het ontvangen van de Zijne:

“Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u zal blijven en uw blijdschap volkomen zal worden.” (Johannes 15:11)

Ik heb ontdekt dat God het einde is van alle vreugdevolle verlangens. Hij is de hemel, het leven, de vreugde van allen die voor altijd gelukkig zijn. Het paradijs is Hem te kennen, Zijn glorie te ervaren. En Zijn verlangen: in die glorie te worden gezien. Hij ontving een netelige kroon, vijf wonden en een houten kruis om ons een glans te laten zien, waar zelfs de zon spoedig van schaamte door uitsterven zal. Eeuwige vreugde is niet een ding, maar een Hem. Wil jij je van de zonde afkeren en naar Hem toe gaan?