Verwacht dat de Bijbel je van streek zal maken

“Het woord snoeien in Johannes 15:2 betekent niet wat velen van ons denken.”

De preek van de voorganger ging over Johannes 15:1–11, de passage over de wijnstok en de takken. Onze bijbelvertalingen kunnen het woord snoeien bevatten, zei de voorganger, maar de historische context en de oorspronkelijke taal leveren een andere interpretatie op. Tweehonderd zielen luisterden aandachtig.

Snoeien heeft eigenlijk het idee van opheffen in zich, zoals een tuinman die zijn handen in de vuile grond steekt om een hangende wijnstok op te heffen. En blijven (in Hem) heeft minder te maken met onze gehoorzaamheid en meer met hoe God ons al vasthoudt; we blijven in Hem als we ons realiseren dat we al omarmd zijn en al door God worden vastgehouden.”

De voorganger daalde van het podium af en de gemeente stond op om van een God te zingen die zijn volk nooit snoeit, noch een krachtig gebod oplegt, maar hen altijd omhelst, wat er ook gebeurt.

Het probleem is, natuurlijk, dat deze god niet bestaat.

Gevoelig voor afdwalen
Ik ben niet van plan om het bovenstaande verhaal te bespotten. De exegese van deze voorganger, hoewel fantasierijk op basis van normen voor objectieve interpretatie, vindt zijn oorsprong in een verleiding die de mens gemeen heeft – een verleiding die ik gemeen heb. Ik heb ook de verleiding gevoeld om het tweesnijdende zwaard van waarheid bot te maken tot het niet meer zo diep snijdt.

Ik kan niet doen alsof ik alle redenen weet waarom deze voorganger (of iemand anders) afdwaalde van de Bijbelse autoriteit. Elk verhaal bevat zijn eigen belangrijke momenten: kleine twijfels die aan de ziel vast kleefden, gesprekken die vertrouwen deed wankelen, relaties die de waarheid uitdaagden. Wat de redenen voor de afdwaling ook zijn, het kost weinig moeite om me voor te stellen hoe het zou kunnen gebeuren.

Het is vaak voorgekomen dat ik na mijn stille tijd meer verward dan vertroost was door het Woord van God.  Ik heb mijn hoofd op mijn bureau gelegd, vechtend om de waarheid te omhelzen. Ik heb het spook van twijfel op mijn schouder gevoeld die vroeg: “Geloof je dat echt?” 

Door de hele Schrift heen, troost en verheft Gods woord niet alleen Zijn volk; het maakt ze ook van streek.

Maar ik heb ook geleerd, van de Bijbel zelf, deze ervaring te verwachten. Door de hele Schrift heen, troost en verheft Gods woord niet alleen Zijn volk; het maakt ze ook van streek.

Verontrustende woorden
Abraham zat met zijn beloofde Izaäk en dacht misschien dat zijn beproevingen voorbij waren en dat zijn wachten was beloond. Toen hoorde hij een bevel dat hij nooit had verwacht: “Neem toch uw zoon, uw enige, die u liefhebt, Izak, ga naar het land Moria, en offer hem daar als brandoffer (…)” (Genesis 22: 2).

Mozes leidde zijn schapen naar de berg Horeb, een tevreden herder met een vrouw en kinderen. Toen hoorde hij woorden uit het vuur waaraan hij niet kon ontsnappen: “Nu dan, ga op weg. Ik zal u naar de farao zenden, en u zult Mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte leiden” (Exodus 3:10).

Hosea leefde onder het noordelijke koninkrijk van Israël, vreesde God en hield zich aan Zijn geboden. Toen ontving hij een bevel anders dan alle anderen: “Ga! Neem voor u een vrouw van de hoererijen en kinderen van de hoererijen (…)” (Hosea 1: 2).

De moeder van onze Heer bracht haar kind naar de tempel, vol ontzag van alle profetieën. Toen hoorde ze een profetie die aanvoelde als een mes: “Zie, dit Kind is bestemd tot val en opstanding van velen in Israël (…) (ook door uw eigen ziel zal een zwaard gaan (…)”(Luk. 2: 34–35).

En dan natuurlijk de bediening van Jezus. Zijn woorden verbonden zeker menig gekreukt riet. Maar ze bestraften ook zijn discipelen (Mattheüs 16:23), beledigden zijn buren (Markus 6: 2–3), beschaamde de schriftgeleerden (Mattheüs 22:46) en stuurden zijn vijanden om op zoek te gaan naar stenen (Johannes 10:31).

Als we elk verontrustend woord uit de Bijbel zouden wegsnijden, zouden we met weinig minder dan een slap aftreksel achterblijven.

Geweldige beeldenstormer
Waarom al die moeite? Waarom zo’n schandaal en aanstoot? Niet omdat God Zich alleen verheugd in het brengen van opschudding en verwarring. Het woord van God brengt ons van ons stuk omdat de realiteit altijd de illusie blootlegt. En zonde heeft ons allemaal tot op zekere hoogte gemaakt tot mensen met waanideeën.

We hebben allemaal geprobeerd de levende God uit het bestaan te boenen en een andere god in zijn plaats te schilderen (Romeinen 1: 18–21). Als God ons aan onszelf overlaat, dan verwelkomen we de waarheid niet. We roepen: “Dwaasheid!” We roepen: “Belediging!” En als we de gelegenheid krijgen, leiden we de Waarheid naar een heuvel buiten Jeruzalem en hangen Hem aan een kruishout (1 Korinthe 1:23; 2:8). Fijne woorden kunnen deze betovering niet verbreken. We moeten van streek gebracht worden.

Als we elk verontrustend woord uit de Bijbel zouden wegsnijden, zouden we met weinig minder dan een slap aftreksel achterblijven.

 “Ja,” zou iemand kunnen zeggen, “Gods woord maakt zijn vijanden altijd van streek. Maar Abraham, Mozes, Hosea en Maria waren Zijn vrienden. Waarom moet Zijn Woord Zijn eigen volk van streek maken?”

Omdat zelfs nadat God ons heeft gered, Hij ons steeds opnieuw terug moet brengen naar de realiteit. C.S. Lewis sprak voor alle christenen toen hij schreef: ‘Mijn idee van God is geen goddelijk idee. Het moet keer op keer worden verbrijzeld. Hij verbrijzelt het zelf. Hij is de grote beeldenstormer. Kon je niet bijna zeggen dat dit verbrijzelen één van de kenmerken van Zijn aanwezigheid is? ‘(A Grief Observed, 66). Het woord van God troost en confronteert; het herstelt en berispt; het bewaart en verbrijzelt. En totdat we Hem van aangezicht tot aangezicht zien, zullen we het hard nodig hebben dat het al het bovenstaande doet.

Naar wie zullen we gaan?
Wat moeten we dan doen als we tegenover een verontrustende passage van de Bijbel zitten? We vinden twee opties in Johannes 6. Het is net nadat Jezus die meest verontrustende leer heeft gegeven: “Als u het vlees van de Zoon des mensen niet eet en Zijn bloed niet drinkt, hebt u geen leven in uzelf” (Johannes 6:53) .

We kunnen mompelen, samen met de menigte: “Dit woord is hard; wie kan het aanhoren? (Johannes 6:60), en dingen beginnen te zeggen als: “Mijn God zou nooit … ”. Maar in zo’n geval is “mijn God”, tot “mijn god” geworden – een klein houten figuur in onze verbeelding. Beleefd, tolerant, veilig.

Of we kunnen ons standpunt met Petrus innemen en zeggen: “Heere, naar wie zullen wij heen gaan? U hebt woorden van eeuwig leven” (Johannes 6:68). We hoeven op dit moment niet alles te begrijpen wat Jezus bedoelt. We hoeven geen vaste vrede in ons hart te voelen. We moeten gewoon weten, zoals Petrus, dat Jezus Christus de woorden van het eeuwige leven heeft. En omdat deze zelfde Jezus elke jota van zijn Oude Testament hoog hield (Johannes 10:35) en elk woord van zijn Nieuwe Testament opdraagt (Johannes 14:26), komen we uit bij dezelfde vraag, ongeacht waar we zijn in onze Bijbels: Vertrouwen we Hem?

Zullen we de Man vertrouwen die niet alleen verontrustende woorden sprak, maar ook verlamden oprichtte, kinderen verwelkomde, weduwen aanmoedigde en de buitenbeentjes opzocht? Zullen we Hem vertrouwen die werd gekroond tussen criminelen en de wereld overwon vanaf een kruis? Zullen we Hem vertrouwen die de dood heeft vertrapt, die heerst in heerlijkheid en die op een dag alle dingen nieuw zal maken? We kunnen wegrennen van Zijn verontrustende woorden om woorden te vinden die meer comfortabel en bevestigend zijn. Of we kunnen naar Jezus kijken en zeggen: “Alleen U hebt de woorden van eeuwig leven.”

Kom om van streek gebracht te worden
David Gibson schrijft: “Je zult weten dat je God kent wanneer Hij je soms laat huilen terwijl Hij jouw trots vernedert. Je verwachtingen omkeert. Je prioriteiten verstoord. Je gedrag beledigt” (Living Life Backward, 159).

Onze sterfelijke, feilbare wijsheid onderwerpen aan Gods oneindige, onfeilbare wijsheid is geen pijnloos proces. Soms kan het net zoveel pijn doen als het terugzetten van een bot. Maar God spreekt nooit een verwondend woord tot zijn volk tenzij het is om ons te genezen (Hosea 6:1); Hij spreekt nooit een verontrustend woord tenzij het is om ons vrede te schenken.

Onze sterfelijke, feilbare wijsheid onderwerpen aan Gods oneindige, onfeilbare wijsheid is geen pijnloos proces. Soms kan het net zoveel pijn doen als het terugzetten van een bot.

Als je naar je Bijbel gaat, verwacht dan dat God precies doet wat Hij zegt dat Hij zal doen: je onderwijzen, weerleggen, verbeteren, en opvoeden (2 Timotheüs 3:16). Zouden we zelfs zo moedig kunnen zijn om Hem te bidden dat te doen? “Welke idolen ook vernietigd moeten worden, vernietig ze. Welke leugens ook gebroken moeten worden, breek ze. Geef me een ongemakkelijk gevoel, bewerk me, maak me onzeker – alles wat nodig is om me naar U toe te brengen.”

Zo’n gebed is de pijn waard. Want nadat God ons van onze trots, zelfgenoegzaamheid en comfortabele illusies heeft ontdaan, wat blijft er dan over? Vreugde. Vrijheid. De hoop op glorie. Christus zelf.

Bron: desiringgod.org