Waarom doodde God Nadab en Abihu in Leviticus 10?

Het priesterschap leek veelbelovend voor Nadab en Abihu. De Heilige God van Israël had hun persoonlijk apart gezet om te dienen als priesters (Exodus 28:1). Ze hadden een familiestamboom vol van aanzien en een uitgebreide voorbereiding gehad (Leviticus 8-10).

Ze waren gekleed in nieuwe boven- en onderkleden (Leviticus 8:7). De tulband op hun hoofd had een gouden plaat met daarin gegraveerd: “DE HEILIGHEID VAN DE HEERE” (Leviticus 8:9; Exodus 28:36). Bloed van hun aanstelling werd aangebracht op hun oren, duimen en tenen (Leviticus 8:24). Hun harten waren nog steeds vol ontzag vanwege het vuur dat uitging van het aangezicht van de HEERE en het brandoffer verteerde (Leviticus 9:24).

Zij waren apart gezet om God te dienen, maar niet voor lang. De openingsverzen van Leviticus 10 luiden:

De zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen beiden hun wierookschaal, deden vuur daarin, legden reukwerk daarop en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van de HEERE, wat Hij hun niet geboden had. Toen ging een vuur uit van het aangezicht van de HEERE, en verteerde hen, zodat zij stierven voor het aangezicht van de HEERE.” (Leviticus 10:1-2)

Het proces van hun inzegening duurde waarschijnlijk langer dan hun diensttijd voor God. Hun ongevraagde vuur leverde een alles-verterend vuur op. God doodde hen daar op een dramatische wijze. 

De plotselinge dood van Nadab en Abihu doet veel vragen opborrelen: Wat was dit vreemde vuur precies? Gebruikten zij de verkeerde wierook? Deden ze het op de verkeerde tijd? Kwamen ze in het Heilige der Heilige? Waren ze dronken (Leviticus 10:9)? Offerden ze wierook tot een valse God?

We weten het niet zeker.

We weten alleen wel zeker dat zij wisten van het duidelijke gebod over het altaar: “U mag daarop geen ander reukwerk in rook op laten gaan” (Exodus 30:9). Om de één of andere reden lieten zij de waarschuwing links liggen en daar betaalden ze voor met hun leven. 

Verhalen als deze staan in de Bijbel om ons te onderwijzen (Romeinen 15:4). God wil ons stilzetten, laten nadenken. Wat zouden we moeten leren van deze vurige dood? Hier zijn drie lessen.

1. Er zijn geen kleine zonden
Dat God vuur liet regenen op Sodom en Gomorra is logisch, maar het verteren van priesters die nog groentjes zijn omdat ze ‘vreemd vuur’ offerden? Wij schrikken ervan als we lezen dat mensen verteerd worden vanwege zo’n kleine zonde. Het is duidelijk dat de arglistige harten van Nadab en Abihu ook hen verleid hadden tot het denken dat hun ongehoorzaamheid slechts triviaal was. 

Zonde kan alleen als iets kleins gezien worden, als we Gods heiligheid ook als nietszeggend beschouwen.

De bladzijden van de Bijbel zijn gevuld met kleine zonden die enorme gevolgen hebben. Het eten van de verboden vrucht (Genesis 3:6). Het omkijken naar een stad (Genesis 19:26). Slaan op een rots (Numeri 20:11). Het aanraken van de Ark van het Verbond (2 Samuël 6:7). Liegen over de opbrengst van een vastgoeddeal (Handelingen 5:1-11).

Geschiedenissen als deze leren een belangrijke les: er zijn geen kleine zonden tegen een heilige God.

Zonde kan alleen als iets kleins gezien worden, als we Gods heiligheid ook als nietszeggend beschouwen. God is een verterend vuur Die een ontoegankelijk licht bewoont (1 Timoteüs 6:16; Hebreeën (12:29). Er is geen onreinheid in Hem Wiens ogen te rein zijn om het kwade te zien (Psalm 92:15; Habakuk 1:13). Engelen zonder zonde die onafgebroken “Heilig! Heilig! Heilig!” zingen terwijl zij hun ogen en voeten bedekken omdat Gods pure heiligheid ondraaglijk is (Jesaja 6:4; Openbaringen 4:8). Toen Jesaja voor God stond zei hij: “Wee mij, want ik verga! Ik ben immers een man met onreine lippen” (Jesaja 6:5). Als we zien hoe heilig God is, zien we dat er geen kleine zonde bestaat.  

Dat er geen kleine zonden bestaan betekent niet dat alle zonden hetzelfde zijn. Sommige zonden zijn erger dan andere en dragen grotere gevolgen met zich mee (Matteüs 10:15; 2 Petrus 2:21). Maar dit onderscheid moet er niet voor zorgen dat we bepaalde zonden laten ‘krimpen’. Het zijn niet onze zonden die klein zijn, maar ons beeld van God. Een juist inzicht in Gods heiligheid laat duidelijk zien dat zelfs de schijnbaar kleinste zonde eeuwig verraad is. De dood van Nadab en Abihu is slechts een voorafschaduwing van het verterende vuur dat zelfs de minst grote zondaar wacht. Zo heilig is God en zo serieus is onze zonde. 

Zijn er ‘kleine’ zonden waar jij je comfortabel bij voelt? Trap niet in de val door te denken dat, omdat God jou niet heeft verteerd met vuur, Hij jouw zonde prima vindt. Zijn genade moet jou er niet toe zetten dat je jouw zonde oké vindt. Integendeel, het zou je moeten leiden tot bekering (Romeinen 2:4).

2. Hoe wij aanbidden doet ertoe
De Bijbel is er duidelijk over dat het God uitmaakt hoe wij Hem benaderen in aanbidding. In Leviticus 8-9 deden de priesters precies zoals de HEERE hen geboden had (Leviticus 8:4, 5, 6, 9, 13, enz.). Maar Nadab en Abihu deden wat Hij hun niet geboden had. Dit kan met goede intenties gebeurd zijn, zoals bij Uzzah (2 Samuël 6:6-7), of sluw, zoals bij Saul (1 Samuël 15:1-23). Hoe dan ook, God liet aan iedereen zien dat het uitmaakt hoe wij Hem aanbidden.

Ik ben bang dat veel aanbidders met goede intenties meer beïnvloed zijn door de tijdsgeest dan door de Heilige Geest.

Innovatieve aanbidding die creatief en cultureel relevant is, is het kenmerk van moderne trendsetters. Hoewel waarheid-dienende creativiteit belangrijk is, is waarheid-ondermijnende creativiteit een satanisch instrument. “Want ik beijver mij voor u… Maar ik vrees dat, zoals de slang met zijn sluwheid Eva verleid heeft, zo misschien ook uw gedachten bedorven worden, weg van de eenvoud die in Christus is” (2 Korintiërs 11:2-3). Ik heb dezelfde angst voor de kerk in onze tijd.

Het verbijsterende tekort aan theologisch onderscheidingsvermogen en het Bijbelse analfabetisme in de moderne kerk zet hele gemeenten ertoe aan om God te onteren door “vreemd vuur” te offeren als aanbidding. Ik ben bang dat veel aanbidders met goede intenties meer beïnvloed zijn door de tijdsgeest dan door de Heilige Geest. We roepen heel snel de woorden “culturele context” wanneer we overduidelijke Bijbelse geboden aanpassen. Door dit te doen volgen we in de voetsporen van Nadab en Abihu, die God aanbaden volgens hun eigen wil en wijsheid, in plaats van die van Hem. 

We moeten ook opmerken dat Abihu en Nadab leiders waren. Dat je een leider bent betekent niet dat je gespaard wordt van oordelen. Integendeel, het oordeel wordt alleen maar zwaarder. Leiders zullen strenger geoordeeld worden (Jakobus 3:1; Lucas 12:48), en Gods volk leiden volgens wereldse wijsheid brengt een brandende straf voort (1 Korintiërs 3:10-15). Het is heel belangrijk dat leiders zich dit realiseren.

3. Wij hebben een betere priester nodig
Nadab en Abihu waren alles wat je niet wilt in een priester. Ze minimaliseerden zonde en maakten hun eigen regels voor aanbidding. Hun fouten en zwakheden zijn bedoeld om ons te herinneren aan onze talloze zonden (zowel kleine als grote) en onze neiging om Gods eisen naar onze eigen smaak te hervormen. Hun oordeel laat ons zien hoe groot onze nood is dat wij een priester hebben die perfect Gods wet houdt en eeuwig leeft om voor ons te pleiten (Hebreeën 7:25). Wij hebben een priester nodig die beter is dan Nadab of Abihu. Wij hebben Jezus nodig.

Jezus bood weerstand aan zelfs de kleinste zonde, omdat Hij vertrouwde op het Woord van de Vader (Matteüs 4:3-4, 10). Hij veranderde Gods Woord niet, maar leidde mensen in de juiste aanbidding van God (Matteüs 5:1-7; 29). Jezus, Die geen zonde kende, werd buiten het kamp gebracht om de zonden van anderen te dragen (Leviticus 10:4; Hebreeën 13:12; 2 Korintiërs 5:21). En Hij stond op uit de dood als de eeuwige priester voor ieder die in Hem gelooft (Hebreeën 4:14-46; 7:25). 

Wij hebben een priester nodig die beter is dan Nadab of Abihu. Wij hebben Jezus nodig.

Op veel manieren hebben wij, net als Nadab en Abihu, Gods geboden genegeerd. Maar Jezus stierf zodat wij kunnen leven. Als we nadenken over Nadab en Abihu, laten we dan troost vinden in het feit dat, hoewel wij het ook verdienen om verteerd te worden vanwege onze zonden, Jezus de vlam van Gods heilige toorn gedragen heeft, zodat wij vergeven konden worden en ons mogen verheugen in de hoop dat wij eens Zijn aangezicht mogen aanschouwen (Openbaringen 22:4).

Kom Heer Jezus, kom!

Bron: The Gospel Coalition