Wanneer zelfvertrouwen dodelijk is

Ik heb een tienerzoon die basketbal speelt. Onlangs raadde zijn coach hem aan om naar de sportschool te gaan om wat lichte gewichten te heffen. Dus af en toe gaat mijn zoon met mij mee naar de sportschool waar ik lid ben om wat trainingen met mij mee te doen. Maar dit is het ding: Mijn zoon is geen lid van de sportschool. Wanneer we naar de balie lopen ben ik degene die het lidmaatschap op mijn telefoon tevoorschijn haalt en ons naar binnen loodst. En terwijl ik dat doe, wijs ik naar mijn zoon en leg ik uit dat hij bij mij hoort, en de bediende knikt en laat ons erdoor. 

Als dat eenmaal is gebeurd, is mijn zoon vrij om alles te doen in de sportschool. Alle apparaten die ik mag gebruiken, op basis van mijn betaalde lidmaatschap, mag hij ook gebruiken, omdat hij bij mij is. De privileges die ik heb – het gebruik van de kleedkamer, het zwembad, de gewichten, en het basketbalveld – heeft hij ook, omdat hij bij mij is. Ik heb toegang tot de sportschool, omdat ik een betaald lidmaatschap heb; hij heeft er geen enkel recht op, behalve op grond van zijn relatie met mij. 

Wat heeft dit allemaal te maken met jouw zekerheid van redding? Heel erg veel.

Vertrouwen in Christus
Kijk eens naar Hebreeën 10:19-22: 

Omdat wij nu, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, langs een nieuwe en levende weg, die Hij voor ons heeft ingewijd door het voorhangsel, dat is door Zijn vlees, en omdat wij een grote Priester hebben over het huis van God, laten wij tot Hem naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof, nu ons hart gereinigd is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is met rein water. 

Deze passage gaat volledig over het hebben van toegang tot Gods aanwezigheid – dat wil zeggen, het recht hebben om voor Hem te staan. Dus, de auteur van Hebreeën schrijft dat we ‘’vertrouwen moeten hebben’’ om Gods aanwezigheid binnen te gaan, en dat we ‘’tot Hem zouden naderen’’, niet met een ‘’slecht geweten’’ – dat wil zeggen, met de angst dat we er niet horen of dat we eruit gezet zullen worden – maar ‘’in de volle zekerheid van het geloof.’’ Dat is het doel – om in de aanwezigheid van God te staan en te genieten van Zijn zegeningen met volle zekerheid en het vertrouwen dat we daar thuishoren. 

Maar heb je gezien hoe dat soort zekerheid en vertrouwen wordt gecreëerd? Het zou voor de schrijver makkelijk zijn geweest om te schrijven: ‘’We naderen in het vertrouwen van een betaald lidmaatschap, met de volle zekerheid dat we gedaan hebben wat nodig was om toegang te krijgen tot de aanwezigheid van God.’’ Maar dat schreef hij niet. In plaats daarvan noemt de schrijver drie redenen waarom we deze zekerheid kunnen hebben om zonder angst in Gods aanwezigheid te staan. Ten eerste hebben we dit vertrouwen, ‘’door het bloed van Jezus’’; ten tweede, ‘’langs de nieuwe en levende weg, die Hij voor ons heeft ingewijd door het voorhangsel’’; en ten derde, omdat ‘’we een grote Priester hebben over het huis van God.’’

Alle drie de redenen voor zekerheid – het bloed van Christus, het gescheurde voorhangsel in de tempel en de rol van Christus als Hogepriester – hebben te maken met de dood van Jezus in de plaats van het volk. Zie je het punt dat de schrijver van Hebreeën maakt?  Ons vertrouwen en onze zekerheid dat we Gods aanwezigheid kunnen binnengaan – dat we dus voor Hem kunnen staan zonder de angst om eruit gegooid te worden – wordt eigenlijk gecreëerd door te erkennen dat onze toegang tot Hem niet gebaseerd is op iets in of aan ons, maar in het werk van Jezus Christus voor ons. 

Volle zekerheid
In onze strijd om zekerheid is het cruciaal om dit punt te begrijpen. De meeste christenen zullen gemakkelijk bevestigen dat ons recht om de aanwezigheid van God binnen te gaan, om tot Hem te naderen, voor ons is gewonnen door Christus in Zijn leven, dood en opstanding. Dat is niet wat onze problemen veroorzaakt. 

Onze problemen beginnen wanneer we vragen; ‘’Ja oké, maar hoe kan ik tot God naderen in vertrouwen, met volle zekerheid?’’ Jezus heeft ons hier misschien gebracht, denken we, maar nu moeten we bewijzen dat we erbij horen.

Onze problemen beginnen wanneer we vragen; ‘’Ja oké, maar hoe kan ik tot God naderen in vertrouwen, met volle zekerheid?’’ En voor velen van ons speelt er dan de gedachte op dat, hoewel Jezus ons in de aanwezigheid van God heeft gebracht, we er echt niet van durven te genieten om daar te zijn, of dat we echt geen enkele zekerheid hebben over de gepastheid om daar te zijn, of dat we geen enkel idee hebben van de veiligheid en de juistheid om daar te zijn, tenzij we het nu voor onszelf verdienen.

Jezus heeft ons hier misschien gebracht, denken we, maar nu moeten we bewijzen dat we erbij horen. 

Maar zie je hoe deze verzen uit Hebreeën 10 tegen die manier van denken ingaan? Jezus schuift ons niet stilletjes in de aanwezigheid van God; Hij geeft ons elk recht in het universum om daar te zijn – en om daar te zijn met vertrouwen en vreugde. En daarom schept het werk dat Christus voor ons gedaan heeft vertrouwen en zekerheid; het is een bron van zekerheid. Hoe meer we het begrijpen, omhelzen en koesteren, hoe groter ons gevoel van vertrouwen en zekerheid zal zijn. 

Ons vertrouwen dat we in de aanwezigheid van God thuishoren is geen zelfvertrouwen; het is Christus vertrouwen. 

Feit is dat onze gedachten en ons hart altijd naar een manier zullen zoeken om zelfverzekerdheid te vinden. We willen, meer dan wat dan ook, wanhopig graag onze aanwezigheid voor Gods troon rechtvaardigen en aan het universum en misschien zelfs wel aan God Zelf laten zien dat, ook al zijn we gered door genade, God uiteindelijk een goede keuze heeft gemaakt. We willen duidelijk maken dat we erbij horen en dan zullen we vol vertrouwen in Gods aanwezigheid staan. Maar de schrijver van Hebreeën maakt korte metten met dat soort denken. 

We zouden met vertrouwen en zekerheid in Gods aanwezigheid moeten gaan staan, zegt de schrijver, maar niet omdat we voor onze eigen rechten hebben betaald of onze eigen moed hebben bewezen. 

We staan daar met het volle vertrouwen enkel om wat Jezus voor ons heeft gedaan. Ons vertrouwen dat we in de aanwezigheid van God thuishoren is geen zelfvertrouwen; het is Christus vertrouwen.