Zijn alle zonden even erg?

Het gebeurt elk jaar. In een cursus ‘inleiding van theologie’ zijn mensen vooral geschokt over één onderdeel: niet alle zonden zijn gelijk. Wat de reden ook is, veel christenen denken dat alle zonden even erg zijn. Misschien komt dat omdat wij ondergedompeld zijn in een cultuur waarin alle mensen gelijk zijn. Misschien willen sommigen van ons (terecht) niet superieur lijken omdat wij toevallig niet hoeven te strijden tegen de weerzinwekkende zonde van anderen. Hoe dan ook, het is gebruikelijk om te denken dat alle zonden gelijk zijn. Maar dat klopt niet en dat heeft zijn effect op de missie van de kerk.

Vanuit een bepaald oogpunt zijn alle zonden gelijk, dit omdat elke zonde ons afsnijdt van een relatie met God (Romeinen 3:23). Jakobus legt uit waarom:

“Want wie de hele wet in acht neemt, maar op één punt struikelt, die is schuldig geworden aan alle geboden.” (Jakobus 2:10)

Jakobus’ punt is dat individuele zonden niet apart gezet kunnen worden. De geboden van de Bijbel vormen een compleet netwerk wat Gods karakter weergeeft. Als eentje daarvan wordt verbroken staat dat gelijk aan rebellie tegen God zelf.

Grotere zonden
Maar dit betekent niet dat alle zonden even weerzinwekkend zijn voor God. De Bijbel is er duidelijk over dat dit niet zo is. Jezus zegt bijvoorbeeld dat degene die Hem overgeleverd had aan Pilatus schuldig was aan een grotere zonde dan Pilatus zelf (Johannes 19:10-11). Sterker nog, Jezus maakte onderscheid tussen de splinter en de balk in iemands oog (Mattheüs 7:3) en de farizeeën die “de mug uitzift maar de kameel doorslikt” (Mattheüs 23:24). Wanneer in het Oude Testament Zijn volk opstaat tegen Hem, maakt God de zonden van Israël in drie fases bekend aan Ezechiël. In elke fase waren Israëls zonden “grotere gruweldaden” (Ezechiël 8:6-16) dan in de vorige fase. Vanuit deze simpele voorbeelden wordt het duidelijk dat sommige zonden meer aanstootgevend zijn voor God dan andere.

Dus wat maakt sommige zonden erger? Onder andere zijn dit drie belangrijke factoren:

  1. De eerste is hoeveel wij weten over God en Zijn wegen. Jezus zei: “En van ieder aan wie veel gegeven is, zal veel teruggevraagd worden” (Lukas 12:48). Hoe meer ons bekend is geworden over God, hoe meer verantwoordelijkheid wij hebben tegenover God. Jezus zei dat de dag des oordeels draaglijker zou zijn voor de heidenen van Tyrus en Sidon die Jezus nooit zagen, dan de Joden van Chorazin en Bethsaïda die de wonderen van Jezus gezien hadden en Hem verwierpen (Mattheüs 11:21-22).
  2. Het tweede principe is dat hoe groter de intentie om te zondigen, hoe ernstiger het misdrijf. De wet van het Oude Testament leert dat iemand een mildere straf krijgt wanneer diegene  “zonder opzet” zondigt en een zwaardere straf wanneer iemand opzettelijk zondigt (Numeri 15:27-31).
  3. Ten derde zijn zonden ernstiger naarmate het effect ervan groter is. Daarom zegt Jakobus tegen predikers: “U moet niet allemaal leermeesters willen zijn, mijn broeders. U weet immers dat wij dan een strenger oordeel zullen ontvangen” (Jakobus 3:1). Dit is zo omdat publieke leraren meer mensen kunnen laten afdwalen dan degene die privé de mist in gaat (Galaten 2:11-14). Het is veel erger om overspel te plegen dan daarover te fantaseren. Natuurlijk, als jij er meer en meer over fantaseert wordt de kans steeds groter dat het echt zal gebeuren. Maar de effecten van overspel plegen, in vergelijking met erover dromen, zijn vele malen erger.

Serieuze consequenties
Waarom is dit onderwerp zo belangrijk voor de missie van de kerk? Omdat sommige zonden zo erg zijn dat als iemand, die zegt Christen te zijn, deze pleegt, er kerkelijke tucht toegepast moet worden. Over welke zonden praten we dan? Paulus heeft er een aantal op een rijtje gezet:

“Of weet u niet dat onrechtvaardigen het Koninkrijk van God niet zullen beërven? Dwaal niet! Ontuchtplegers, afgodendienaars, overspelers, schandknapen, mannen die met mannen slapen, dieven, hebzuchtigen, dronkaards, lasteraars en rovers zullen het Koninkrijk van God niet beërven.” (1 Korintiërs 6:9-10)

Paulus heeft het hier niet over de verleiding om deze zonden te plegen. Hij heeft het niet over de mensen die in één van deze zonden vallen, weten dat dit fout is, en zich hiervan berouwvol bekeren. Paulus heeft het over degenen die deze zonden praktiseren en denken dat het allemaal prima is. Echte gelovigen leven niet op deze manier omdat zij die deze zonden wel doen “het Koninkrijk van God niet beërven”, wat het bewijs is dat zij niet gered zijn. Dit gaat niet over eeuwige redding door werken maar goede werken als een bewijs van zaligheid (Efeziërs 2:10).

Als zonden, zoals genoemd in 1 Korintiërs 6:9-10, zich voordoen in de gemeente, brengt het de missie van de kerk om het licht in de wereld te zijn in gevaar. Dan is er geen duidelijke scheiding meer tussen Christenen en de wereld. Iemand die zegt Christen te zijn maar ondertussen slaapt met zijn/haar vriend/vriendin, leeft alsof hij niet gered is. Iemand die steelt, uit een winkel, van een vriend of door belastingfraude, zonder daar eens goed over na te denken, leeft als iemand die het Koninkrijk van God niet beërft. Zonde in de lokale gemeente is besmettelijk (1 Korintiërs 5:6-7). Daarom is het zo belangrijk voor leiders binnen de kerk om “onberispelijk” te zijn (1 Timotheüs 3:2; Titus 1:6). Dan gaat het niet om perfectie maar om het niet hebben van serieuze karakteristieke gebreken. Want als leiders in zonde vervallen is de schade vele malen groter.

De tucht is niet ingesteld om te straffen maar om iemand te verzoenen

Als zonden zoals eerdergenoemd ontdekt worden in de kerk, moet daarmee omgegaan worden zoals dat in het Nieuwe Testament beschreven is, dit kan uiteindelijk leiden tot kerkelijke tucht (Mattheüs 18:15-20; 1 Korintiërs 5:1-13; 2 Thessalonicenzen 3:14-15). We moeten onthouden dat het gebrek aan spijt de fundamentele reden voor het tuchtigen van een gemeentelid is. Zij zijn niet bereid de zonde te erkennen of zich af te keren van deze zonde. De tucht is niet ingesteld om te straffen maar om iemand te verzoenen (1 Korintiërs 5:5).

Omdat sommige zonden ernstiger zijn dan andere kunnen wij in de verleiding komen neer te kijken op anderen die moeite hebben met een zonde die wij niet ervaren. Dan zijn de woorden van Paulus ontnuchterend:

“Maar laat ieder zijn eigen werk beproeven; dan zal hij alleen voor zichzelf stof tot roemen hebben, en niet voor de ander. Want ieder zal zijn eigen pak dragen.” (Galaten 6:4-5)

Het wonder van het Evangelie is dat als wij zondigen, wij vergeven en verzoend kunnen worden. Zo krachtig is Jezus’ offer (1 Johannes 2:1-2). Het is zelfs genoeg om ons de wil te geven zonde te doden!